ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ3926

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/1830
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens ontbreken procesbelang in belastingaanslagen 2007

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2007, specifiek tegen de vastgestelde waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemmingen (WEVAB) van verkochte cultuurgrond.

De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de IB/PVV-aanslag niet-ontvankelijk en gaf geen expliciete beslissing op het bezwaar tegen de Zvw-aanslag. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze uitspraak, waarbij de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring ook op het bezwaar tegen de Zvw-aanslag toepaste.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende wel ontvankelijk was in het beroep omdat het bezwaar niet geheel werd gehonoreerd, maar dat de bezwaren inhoudelijk geen invloed hadden op de aanslagen. De vastgestelde WEVAB had geen effect op het inkomen over 2007, waardoor het procesbelang ontbrak.

Ook het door belanghebbende aangevoerde belang bij aanslagen over andere jaren, zoals 2010, leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwees naar jurisprudentie dat belanghebbende tegen die aanslagen afzonderlijk bezwaar kan maken.

Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees zij proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar worden ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 12/1830 en 12/1851
Uitspraakdatum: 30 november 2012
Uitspraken als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd alsmede een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) van nihil. Beide aanslagen zijn gedagtekend 25 februari 2011. Het bezwaar van belanghebbende is gericht tegen beide aanslagen. Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2012 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak op bezwaar ontbreekt het aan een expliciete beslissing op het bezwaar tegen de aanslag Zvw. Bij brief van 20 april 2012, ingekomen bij de rechtbank op 23 april 2012, heeft de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar. In het beroepschrift is tot uitdrukking gebracht dat de uitspraak op bezwaar mede is opgevat als de beslissing op het bezwaar tegen de aanslag Zvw. De rechtbank vat de uitspraak op bezwaar aldus op dat de inspecteur naast het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV ook het bezwaar tegen de aanslag Zvw niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Motivering
2.1. De inspecteur acht de beroepen van belanghebbende wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk en verwijst daartoe naar rechtspraak. De rechtbank volgt deze stelling van de inspecteur niet. In de rechtspraak waar de inspecteur naar verwijst is tijdens de beroepsprocedure geheel aan belanghebbendes grieven tegemoet gekomen. Daarvan is hier echter geen sprake. Belanghebbende betwist de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en de inspecteur acht de uitspraak op bezwaar juist. Daarmee heeft belanghebbende procesbelang bij de beroepen. De rechtbank acht belanghebbende derhalve ontvankelijk in beroep.
2.2. De vraag die bij de rechtbank voorligt, is of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2007. De bezwaren van belanghebbende richten zich tegen de vaststelling van de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemmingen (WEVAB) van percelen cultuurgrond die zij in 2007 heeft verkocht.
2.4. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat de vastgestelde WEVAB geen invloed heeft op het vastgestelde inkomen voor 2007. De grieven van belanghebbende tegen de hoogte van de WEVAB kunnen dan ook niet leiden tot een vermindering van de aanslagen. Hieruit volgt dat de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk zijn wegens het ontbreken van procesbelang. De beslissingen van de inspecteur acht de rechtbank daarom juist.
2.5. De omstandigheid dat belanghebbende een buiten de desbetreffende aanslagen liggend belang heeft bij de beantwoording van de door haar aangevoerde twistpunten – in dit geval kennelijk de aanslagen over het jaar 2010 – leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover het door belanghebbende gestelde belang zich manifesteert bij andere belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan belanghebbende desgewenst tegen die aanslagen of beschikkingen opkomen. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2012, nr. 11/01321, LJN BV0655, rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4.
2.6. Nu de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, dienen de beroepen kennelijk ongegrond te worden verklaard.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraken zijn gedaan op 30 november 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.H.A. de Graaf, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 6 december 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraken kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.