Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 29 maart 2013 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 27 mei 2013,
- de brief van mr. Fens van 10 juni 2013,
- de brief van de officier van justitie van 11 juni 2013.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, geboren in 1959 in Zuid-Afrika uit Nederlandse ouders, verzocht de rechtbank vast te stellen dat hij het Nederlanderschap bezit. Hij stelt dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren, ondanks dat hem na 1990 geen Nederlands paspoort meer is verstrekt. De IND en officier van justitie verzetten zich hiertegen en stellen dat verzoeker het Nederlanderschap op 1 januari 1995 rechtsgeldig heeft verloren op grond van artikel 15 aanhef Pro en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) 1985.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker meerderjarig werd in 1980 en sindsdien onafgebroken in Zuid-Afrika heeft gewoond, het land van zijn geboorte en waarvan hij tevens de nationaliteit bezit. Hierdoor is het Nederlanderschap volgens artikel 15 lid Pro c RWN verloren gegaan op 1 januari 1995. De uitzondering in artikel V lid 2 RRWN, die het verlies kan terugdraaien indien na 1 januari 1990 een verklaring of paspoort is verstrekt, is niet van toepassing omdat verzoeker na die datum geen paspoort of verklaring heeft ontvangen.
De rechtbank benadrukt dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen of behouden limitatief zijn geregeld in de RWN en RRWN. Een onterechte weigering van een paspoort door een ambassade valt hier niet onder. Daarom wordt het verzoek afgewezen en wordt vastgesteld dat verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het bezit van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker het Nederlanderschap rechtsgeldig heeft verloren op grond van artikel 15 lid c RWN.