ECLI:NL:RBDHA:2013:10272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2013
Publicatiedatum
13 augustus 2013
Zaaknummer
AWB 13/14838
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder redelijk vooruitzicht op verwijdering

Eiser is op 13 januari 2013 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was gebleven.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank stelde vast dat de presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten op 22 mei 2013 niet doorging omdat verweerder geen vervoer had geregeld, en niet vanwege eiser zelf. Op 19 juni 2013 vond alsnog een presentatie plaats, waarbij de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit niet bevestigden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voortvarend handelde en dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Hoewel verweerder tekortschiet in zijn informatieplicht over de annulering van de presentatie, is dit onvoldoende reden om de bewaring op te heffen. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/14838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2013in de zaak tussen

[eiser], geboren op[1975], van gestelde Algerijnse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 januari 2013 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2013. Eisers gemachtigde is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.
Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 mei 2013 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3.
Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij de voorbereiding van eisers verwijdering.
4.
Uit de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende. Eiser zou op 22 mei 2013 in persoon worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Anders dan in de voortgangsgegevens staat vermeld, is deze presentatie, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, niet doorgegaan vanwege het feit dat verweerder geen vervoer voor eiser had geregeld. Eiser is op 19 juni 2013 in persoon gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten Die autoriteiten eisers hebben nationaliteit niet bevestigd. Daarnaast heeft verweerder op 10 juni 2013 en 24 juni 2013 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Nu zowel de Marokkaanse als de Algerijnse autoriteiten een laissez passer hebben geweigerd, waarbij van belang is dat die laatste weigering van zeer recente datum is, gunt de rechtbank verweerder enige tijd om zich te beraden over de te nemen vervolgstappen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend handelt bij de voorbereiding van de verwijdering van eiser.
5.
Zoals uit rechtsoverweging 4 blijkt staat in de voortgangsgegevens een onjuistheid over wat de reden was van de annulering van de presentatie van 22 mei 2013 bij de Algerijnse autoriteiten. Daarbij staat als reden voor het niet-doorgaan van de presentatie vermeld: “vreemdeling”. De rechtbank heeft bij brief van 14 juni 2013 hierover inlichtingen gevraagd aan verweerder. Een eerste verwijt dat de rechtbank op dit punt verweerder maakt is dat verweerder ten onrechte niet op die brief heeft gereageerd. Een tweede verwijt dat de rechtbank verweerder maakt is dat vervolgens ter zitting is gebleken dat het niet doorgaan van de presentatie van 22 mei 2013 juist niet aan eiser, maar aan verweerder te wijten is. Verweerder had namelijk geen vervoer geregeld. Dit betekent dat verweerder op deze twee punten te kort is geschoten in zijn plicht de rechtbank correct en volledig te informeren. De plicht van verweerder dat te doen is van essentieel belang om de rechtbank in staat te stellen een gepaste rechtsbescherming te bieden, zeker in een zaak als deze die over vrijheidsbeneming gaat. Het is echter nog net onvoldoende om op basis hiervan de bewaring op te heffen. De rechtbank betrekt daarbij in eerste plaats dat uiteindelijk wel duidelijkheid is ontstaan over de annulering van de presentatie van 22 mei 2013 en dat inmiddels op 19 juni 2013 wel een presentatie heeft plaatsgevonden. Verweerder moet er wel rekening mee houden dat de rechtbank, vanzelfsprekend indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, in toekomstige zaken verscherpt aandacht zal besteden aan deze vermelding in voortgangsgegevens.
6.
Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er onvoldoende belangen aan de zijde van eiser zijn die - mede gelet op de duur van deze bewaring - voor verweerder aanleiding hadden moeten vormen de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
7.
Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
8.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.