Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter O. van der Burg naar aanleiding van een comparitie op 21 februari 2013, waarin hij zich onrechtmatig behandeld voelde en de kantonrechter onpartijdigheid ontzegde. Verzoeker stelde dat het proces-verbaal onjuiste en verzonnen uitspraken bevatte en dat de kantonrechter al tijdens de comparitie zonder voorbehoud een oordeel had gevormd.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat het wrakingsverzoek pas op 26 februari 2013 werd ingediend, terwijl de feiten die aanleiding gaven tot het verzoek al tijdens de comparitie op 21 februari bekend waren. Verzoeker erkende de late indiening, maar beriep zich op een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege de situatie tijdens de comparitie.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker het wrakingsverzoek kort na de comparitie had moeten indienen en dat het uitstel voor zijn rekening en risico komt. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd het proces in de hoofdzaak voortgezet in de stand van het moment van indiening van het wrakingsverzoek.