ECLI:NL:RBDHA:2013:10772
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens ontbreken terugkeerbesluit
Verweerder heeft op 12 april 2013 een inreisverbod van tien jaar opgelegd aan verzoeker, zonder dat hieraan een geldig terugkeerbesluit ten grondslag lag. Verzoeker stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit van 7 februari 2001, waarbij een aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen, niet kan gelden als terugkeerbesluit. Dit besluit bevatte geen vaststelling van illegaal verblijf noch een vertrektermijn, wat volgens artikel 3, vierde lid, en artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vereist is. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigt dat een dergelijk besluit zonder vertrektermijn niet als terugkeerbesluit kan gelden.
Daarmee is het inreisverbod genomen in strijd met artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat de hoofdzaak reeds is beslist. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens het ontbreken van een geldig terugkeerbesluit.