Uitspraak
(gemachtigde: [A]),
Rechtbank Den Haag
Eiseres kocht in 2010 een tweedehands personenauto voor €62.860 exclusief omzetbelasting. In januari 2011 verkocht zij de auto aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) voor €31.131, waarbij tevens een netto dividend van €62.860 werd uitgekeerd vanwege de meerwaarde van de auto. Eiseres bracht geen omzetbelasting in rekening over het dividendbedrag.
Na een boekenonderzoek stelde de Belastingdienst dat het dividendbedrag onderdeel uitmaakt van de vergoeding voor de levering van de auto en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Eiseres betwistte dit en stelde dat het dividend niet tot de vergoeding behoort, maar als aparte uitkering moet worden gezien.
De rechtbank oordeelde dat het dividend een vordering op eiseres vertegenwoordigt die door de dga is aangewend om een deel van de koopsom te voldoen. Dit betekent dat het dividend als tegenprestatie moet worden beschouwd en dus tot de vergoeding behoort. Ook werd vastgesteld dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld, mede gelet op de nog op de auto rustende BPM.
De boete werd eveneens bevestigd omdat eiseres geen pleitbaar standpunt had onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het subsidiaire standpunt van verweerder behoefde geen beoordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag en de verzuimboete.