ECLI:NL:RBDHA:2013:11105
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering functietoewijzing militair
Verzoeker, een sergeant-majoor bij de Koninklijke Landmacht, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Defensie om hem niet toe te wijzen aan een geambieerde functie, omdat hij niet als meest geschikte kandidaat werd beschouwd. Verzoeker stelde dat hij in aanmerking had moeten komen omdat een andere kandidaat zich had teruggetrokken en een andere medewerker, die aanvankelijk niet geschikt werd geacht, alsnog werd toegelaten tot de selectieprocedure.
De voorzieningenrechter overwoog dat de selectiecommissie de voorkeur gaf aan een andere kandidaat die beter voldeed aan de functie-eisen, meer relevante ervaring had en een betere motivatie toonde. De procedure was zorgvuldig verlopen, ondanks een misverstand over de communicatie van kandidaten. Het bevoegdheidsgebrek in het besluit zou worden hersteld in de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en dat geen grond bestaat voor het aannemen van een schending van het vertrouwensbeginsel. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van functietoewijzing wordt afgewezen.