De rechtbank Den Haag behandelde de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de PIJ-maatregel van een veroordeelde die sinds 2009 in een forensisch psychiatrisch centrum is geplaatst. De maatregel was eerder verlengd met één jaar door het gerechtshof Arnhem, maar de rechtbank moest nu beoordelen of verlenging opnieuw gerechtvaardigd was.
De veroordeelde verzette zich tegen verlenging en verklaarde niet mee te willen werken aan behandeling, slechts zijn maatregel uit te zitten zonder inzet. Het OM betoogde dat vanwege het hoge recidiverisico en de kans op verharding verlenging noodzakelijk was. De raadsvrouw van de veroordeelde stelde dat niet voldaan was aan de cumulatieve voorwaarden voor verlenging, dat de veiligheid niet in gevaar was en dat verlenging averechts zou werken.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de veiligheid van anderen verlenging eist vanwege de ernstige problematiek en hoog recidiverisico, niet is komen vast te staan dat verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. De veroordeelde werkt niet mee, vertoont verharding en behandeling is niet effectief gebleken. Verlenging zou leiden tot verdere verharding en een slechtere situatie.
Het deskundigenadvies bevestigde de ernstige pathologie, onwil tot behandeling en risico op verharding. De rechtbank concludeerde dat onder deze omstandigheden verlenging niet aangewezen is en wees de vordering af. De uitspraak werd gedaan door drie kinderrechters op 27 juni 2013 in Den Haag.