Eiser heeft op 9 december 2012 een Wob-verzoek ingediend bij verweerder, de minister van Veiligheid en Justitie, met het verzoek om een CJIB zaakoverzicht. Verweerder heeft niet tijdig beslist, waarop eiser op 9 januari 2013 ingebreke stelde. Uiteindelijk is op 1 maart 2013 een besluit genomen, maar de dwangsombeschikking bleef uit. Eiser stelde verweerder opnieuw in gebreke en stelde beroep in tegen het uitblijven van de dwangsombeschikking.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijnen heeft beslist op het Wob-verzoek en de dwangsombeschikking niet tijdig heeft vastgesteld. De ingebrekestelling van 9 januari 2013 was voldoende duidelijk en hoefde niet te worden herhaald voor het dwangsombesluit.
De rechtbank stelt de verbeurde dwangsom vast op €1140 voor de periode van 24 januari tot en met 3 maart 2013. Daarnaast veroordeelt zij verweerder tot betaling van wettelijke rente vanaf 29 april 2013 tot aan de dag van voldoening. Ook worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €177 en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €160.
De uitspraak is gedaan door rechter B. Meijer op 12 september 2013 en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.