Op 5 september 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag besloten tot de opheffing van de beneficiaire vereffening van de nalatenschap van een overledene. De enige erfgenaam, tevens vereffenaar, had de nalatenschap beneficiair aanvaard. De nalatenschap omvatte onder meer een woning met hypotheken, die voor een lager bedrag dan de getaxeerde waarde was verkocht.
De kantonrechter constateerde dat de vereffenaar ernstig tekort was geschoten in zijn taak, onder andere door het niet kunnen overleggen van een correcte boedelbeschrijving en het ontbreken van bewijs van instemming van hypotheekhouders bij de verkoop. Omdat de kantonrechter geen bevoegdheid had om de vereffenaar te ontslaan en de rechtbank slechts op verzoek van belanghebbenden een nieuwe vereffenaar kan benoemen, werd het openbaar ministerie en de schuldeisers verzocht een verzoek in te dienen, wat werd afgewezen.
De vereffenaar gaf aan niet in staat te zijn een boekhouder of accountant te betalen om de administratie op orde te brengen en gaf de voorkeur aan beëindiging van de vereffening. Gezien het ontbreken van mogelijkheden om het toezicht adequaat uit te oefenen en de onmogelijkheid om de vereffening correct af te wikkelen, achtte de kantonrechter voortzetting niet zinvol en besloot tot opheffing van de vereffening. De vereffeningskosten werden op nihil vastgesteld en de griffier werd opgedragen de opheffing in te schrijven in het boedelregister.