De rechtbank Den Haag behandelde het geschil tussen eiseres en de Belastingdienst over de vraag of de overleden echtgenoot van eiseres houder was van een buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (KB Lux). De Belastingdienst had op basis van gegevens uit het Rekeningenproject navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd over meerdere jaren, waarbij werd uitgegaan van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dat was gebaseerd op een vermeende rekening bij KB Lux.
Eiseres ontkende dat haar echtgenoot een dergelijke rekening had en voerde aan dat zij voldoende pogingen had ondernomen om dit te bewijzen, onder meer door een bezoek aan KB Lux en correspondentie met de bank. De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst de identiteit van de rekeninghouder niet overtuigend had vastgesteld en dat er gerede twijfel bestond over de vraag of de echtgenoot daadwerkelijk rekeninghouder was.
De rechtbank oordeelde dat het vermoeden dat de echtgenoot rekeninghouder was, door eiseres voldoende was ontzenuwd. Gezien het ontbreken van bewijs werd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot nul voor de jaren 2004 tot en met 2006. Tevens werden de vergrijpboetes vernietigd en de heffingsrente dienovereenkomstig aangepast.
De rechtbank wees proceskostenveroordeling af omdat niet was gesteld dat eiseres kosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken op 11 september 2013.