Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer 09/715876-12
Datum uitspraak: 19 september 2013
Tegenspraak
(Promis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte B],
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],
adres: [adres].
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 september 2013.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. P.P.J. van der Meij, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, met een ander
of anderen, op of aan de openbare weg, Park Groot Leerust (gelegen aan de
Burgemeester Ketelaarstraat), in elk geval op of aan een openbare weg,
openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaar [slachtoffer]
, welk geweld bestond uit het:
- zich opdringen aan en/of benaderen en/of omsingelen van die [slachtoffer] en/of
- vastpakken van de arm en/of de wapenstok van die [slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) trekken aan de wapenstok van die [slachtoffer] en/of
- wegduwen van de hand en/of arm van die [slachtoffer] en/of
- duwen tegen die [slachtoffer] en/of
- om de nek van die [slachtoffer] grijpen en/of dichtknijpen/dichtdrukken van de keel
van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) naar achteren trekken van die [slachtoffer] en/of
- tegen het hoofd slaan/stompen van die [slachtoffer] en/of
- ( om de middel en/of de nek) vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of
- vastpakken van de pepperspray van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) trekken aan de
pepperspray van die [slachtoffer];
2.
hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, tezamen en in
vereniging met een of meerdere ander(en), met verenigde krachten, althans
alleen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een
ambtenaar, te weten politieambtenaar [slachtoffer], werkzaam in de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde
(waarbij die [slachtoffer] toen en daar samen met een of meerdere andere
politieambtenaren de toegang tot een poton had afgesloten), door tezamen en in
vereniging met een of meerdere ander(en), met verenigde krachten, althans
alleen, opzettelijk (gewelddadig):
- zich op te dringen aan die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] te benaderen en/of te
omsingelen en/of
- tegen die [slachtoffer] te duwen en/of
- de arm en/of de wapenstok van die [slachtoffer] vast te pakken en/of
- ( vervolgens) aan de wapenstok van die [slachtoffer] te trekken en/of
- wegduwen van de hand en/of arm van die [slachtoffer] en/of
- tegen die [slachtoffer] te duwen en/of
- om de nek van die [slachtoffer] te grijpen en/of te hangen en/of de keel van die [slachtoffer]
dicht te drukken en/of te knijpen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] naar achteren te
trekken en/of
- die [slachtoffer] tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of
- die [slachtoffer] (om de middel en/of de nek) vast te pakken en/of vast te houden
en/of
- de pepperspray van die [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) aan die
pepperspray te trekken.
3.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
3.1
Het standpunt van de verdediging
Namens de verdachte is door de raadsman ten aanzien van het de verdachte bij dagvaarding ten laste gelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De raadsman heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat er is gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir nu de politieambtenaar [slachtoffer] in strijd met zijn verbaliseringsplicht ex artikel 152 van het Wetboek van strafrecht onvolledig en onwaar heeft geverbaliseerd en daarmee heeft verdoezeld dat de verdachte zonder redelijke aanleiding en in strijd met de ambtsinstructie is gepepperd.
De raadsman heeft ten tweede aangevoerd dat de officier van justitie in strijd met het gebod van een redelijke en billijke belangenafweging heeft gehandeld door de verdachte onder de gegeven omstandigheden strafrechtelijk te vervolgen.
Naar het oordeel van de verdediging zijn daardoor moedwillig de belangen van de verdachte grovelijk veronachtzaamd, hetgeen op grond van artikel 359a Wetboek van strafvordering voor sanctionering in aanmerking komt.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake is, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt van enige opzettelijke benadeling van de verdachte, zodat van een vormverzuim geen sprake is.
3.3.
De beoordeling door de rechtbank
De overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat het pepperen van de verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde incident bij de loopplank geen steun vindt in het dossier. Er is weliswaar een aantal getuigenverklaringen waaruit dit zou blijken, maar deze verklaringen komen niet overeen met hetgeen te zien is op de videobeelden met betrekking tot het incident zoals ter terechtzitting zijn getoond. Voor zover de verdachte tíjdens het incident is gepepperd overweegt de rechtbank dat de politieagent andere alternatieven ontbraken, zodat dit niet als disproportioneel of in strijd met subsidiariteit aangemerkt kan worden. Voor zover er gehandeld is in strijd met de ambtsinstructie voor wat betreft het gebruik van de pepperspray in een groep, is de politieagent naar het oordeel van de rechtbank verontschuldigd, nu hij door deze groep wederrechtelijk werd aangerand.
De rechtbank overweegt verder dat het openbaar ministerie een vervolgings-monopolie heeft, dat een beslissing tot vervolging slechts marginaal kan worden getoetst en er in casu geen aanleiding is om aan te nemen dat het OM na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot een vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is en verwerpt het verweer dienaangaande.
4.Bewijsoverwegingen
4.1
Inleiding [1] Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
Op 21 juni 2012 vond er in Warmond, gemeente Teylingen, in het Park Groot
Leerust aan de Burgemeester Ketelaarstraat, een concert plaats, het Leedeconcert. [2] Voor dit concert was een vergunning afgegeven waarin stond dat er tot 24.00 uur muziek ten gehore mocht worden gebracht. Toen er na dit tijdstip nog muziek te horen was die kwam vanaf een boot - die te bereiken was vanaf een ponton aan de rand van het park - en de eigenaar de muziek na sommatie niet uitzette, ging de politie over tot aanhouding van deze man.
De politie ging hierna over tot het leegmaken en –houden van het ponton.
Bij de loopplank die het ponton met het vaste land van het park verbond ontstond een opstootje waarbij de verdachte betrokken was.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank kennis genomen van de videobeelden van het incident (met als titel 2012-06-21_00.48.52) en hebben de getuige [getuige] alsmede de aangever [slachtoffer] een aanvullende verklaring afgelegd.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard op het ponton te hebben gestaan toen dat leeggemaakt werd, van het ponton af te zijn gegaan en direct weer terug te hebben willen gaan, omdat zijn sloepen losdreven.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gedragingen van de verdachte onder de hieronder te omschrijven omstandigheden kunnen worden aangemerkt als openlijk geweld en/of wederspannigheid jegens verbalisant [slachtoffer].
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld en wederspannigheid. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er vanuit een groep geweld werd gepleegd tegen de aangever en dat het de verdachte was die samen met de medeverdachte [verdachte A] de aangever vastpakte en hem naar beneden trok en daarna met anderen om de aangever heen en tegen hem aan bleef staan, waardoor de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens de aangever.
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verbalisant werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat de verdachte door zich te gedragen zoals hij heeft gedaan gewelddadig verzet heeft gepleegd tegen de verbalisant.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van zowel openlijk geweld als het medeplegen van wederspannigheid bepleit.
Ten aanzien van het openlijke geweld heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen bewuste danwel voldoende en significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen de aangever en dat hij zich daaraan evenmin heeft kunnen onttrekken.
Ten aanzien van de wederspannigheid heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen vordering kenbaar is gemaakt, dat hij heeft gehandeld vanuit gerechtvaardigde belangen en binnen de grenzen van het betamelijke en dat de politieambtenaren vanwege de onrechtmatigheid en disproportionaliteit van hun handelen niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening verkeerden.
4.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Op het moment dat verbalisant en aangever [slachtoffer] zich op de loopplank tussen het park en het ponton bevond, werd hij door meerdere personen benaderd. [3] Deze personen, zo concludeert de rechtbank uit de verklaring van aangever [slachtoffer] in combinatie met de videobeelden [4] , drongen zich op aan de aangever.
Hierna ging de verdachte met zijn linkerhand in de richting van de wapenstok van de aangever en pakte hij met zijn rechterarm de linkerarm van de aangever [5] vast. Vrijwel tegelijkertijd pakte de man met het roze overhemd, zijnde medeverdachte [verdachte A] [6] , de wapenstok van de aangever vast en trok daaraan. [7] Hierna greep de medeverdachte [verdachte C] om de nek van de aangever en trok hem naar achteren. [8] Op dat moment gaf iemand een harde klap, een vuistslag, op het hoofd van de aangever. [9] Hierna pakte een jongen in een grijs shirt, medeverdachte [verdachte D], de aangever om zijn middel vast [10] . Op de videobeelden is te zien dat het koord van de pepperspray van aangever [slachtoffer] strakgetrokken wordt. [11] De aangever heeft verklaard dat hij de pepperspray niet meer had op het moment dat hij het wilde pakken. [12] De rechtbank concludeert hieruit dat de pepperspray door iemand in de groep is vastgepakt en dat daaraan is getrokken.
De rechtbank stelt op basis van vorenstaande allereerst vast dat er sprake was van geweld jegens verbalisant [slachtoffer]. De rechtbank stelt verder vast dat het incident een aanvang heeft genomen op het moment dat de verdachte de arm van de aangever vastpakte. Hierna hebben de verschillende geweldshandelingen elkaar zeer snel opgevolgd. De verdachte heeft door de arm van de aangever vast te pakken en zich niet aanstonds te distantiëren een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld jegens de aangever.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde openlijke geweld.
Op het moment dat aangever [slachtoffer] zich bij de loopplank tussen het park en het ponton bevond was de instructie aan de politie om het ponton leeg te maken en leeg te houden, zodat een andere (geboeide) verdachte vanaf een boot over het land vervoerd kon worden. [13]
De rechtbank is van oordeel dat de aangever op dat moment in opdracht handelde ter handhaving van de openbare orde en aldus werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, waarbij hij niet onrechtmatig heeft gehandeld.
De rechtbank leidt voorts af uit hetgeen hierboven met betrekking tot het openlijke geweld is beschreven, dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen de aangever. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit samen met anderen heeft gedaan. De verdachte heeft steeds deel uitgemaakt van de groep die geweld pleegde jegens de aangever en heeft daarbij zelf geweld gebruikt, ook op momenten waarop hij kon zien dat door anderen geweld werd gebruikt. De rechtbank acht daarmee bewezen dat er sprake was van een (stilzwijgende) bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en daarmee van het medeplegen van wederspannigheid.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat:
1.
hij op 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, met anderen, op de openbare weg, Park Groot Leerust (gelegen aan de Burgemeester Ketelaarstraat), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaar [slachtoffer], welk geweld bestond uit het:
- zich opdringen aan en benaderen van die [slachtoffer] en
- vastpakken van de arm en de wapenstok van die [slachtoffer] en
- vervolgens trekken aan de wapenstok van die [slachtoffer] en
- duwen tegen die [slachtoffer] en
- om de nek van die [slachtoffer] grijpen en vervolgens naar achteren trekken van die [slachtoffer] en
- tegen het hoofd stompen van die [slachtoffer] en
- om de middel vastpakken van die [slachtoffer] en
- vastpakken van de pepperspray van die [slachtoffer] en vervolgens trekken aan de
pepperspray van die [slachtoffer];
2.
hij op 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, tezamen en in
vereniging met anderen, met verenigde krachten, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten politieambtenaar [slachtoffer], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde, door tezamen en in vereniging met anderen, met verenigde krachten, opzettelijk gewelddadig:
- zich op te dringen aan die [slachtoffer] en die [slachtoffer] te benaderen en
- tegen die [slachtoffer] te duwen en
- de arm en de wapenstok van die [slachtoffer] vast te pakken en
- vervolgens aan de wapenstok van die [slachtoffer] te trekken en
- om de nek van die [slachtoffer] te grijpen en te hangen en vervolgens die [slachtoffer] naar achteren te trekken en
- die [slachtoffer] tegen het hoofd te stompen en
- die [slachtoffer] om de middel vast te pakken en
- de pepperspray van die [slachtoffer] vast te pakken en vervolgens aan die pepperspray te trekken.
5.De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
6.De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7.De strafoplegging
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 160 uur subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, en tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis geen recht doet aan de situatie.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De verdachte heeft zich samen met een aantal anderen schuldig gemaakt aan het plegen van geweld jegens een politieagent en het bieden van gewelddadig verzet jegens deze politieagent, waarvan deze politieagent, zo blijkt uit de vordering benadeelde partij die hij heeft ingediend alsmede uit de toelichting daarop ter terechtzitting, gedurende geruime tijd nadelige gevolgen heeft ervaren in de vorm van fysieke en geestelijke klachten.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn gedragingen voor het slachtoffer, maar slechts heeft gehandeld vanuit zijn eigen belang, het gezag van dit slachtoffer daarmee ernstig ondermijnend.
De rechtbank houdt er ten voordele van de verdachte rekening mee dat hij niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld en dat hij door omstandigheden in een kortstondig incident terecht is gekomen.
Verder houdt de rechtbank rekening met de transactie die is aangeboden aan en geaccepteerd door de medeverdachte die de vuistslag op het hoofd van het slachtoffer heeft gegeven, te weten een werkstraf voor de duur van 80 uur.
De rechtbank acht eenzelfde straf in het onderhavige geval passend en geboden.
Voor een voorwaardelijke straf ziet de rechtbank, gelet op bovenstaande, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding.
8.De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.173,00.
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij naar redelijkheid en billijkheid tot een bedrag van € 1.000,00, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft primair niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vordering bepleit op grond van een onevenredige belasting van het strafgeding, gebaseerd op de factor eigen schuld alsmede de betwisting van de werkelijke schade van de benadeelde.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de vordering, gelet op de aantasting van de persoon, het letsel alsmede de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, tot het bedrag van € 300,00, als vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank zal deze toewijzing hoofdelijk opleggen.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].
9.De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 182 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10.De beslissing
De rechtbank,
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;
ten aanzien van feit 2:
WEDERSPANNIGHEID, DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN MET VERENIGDE KRACHTEN GEPLEEGD;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een werkstraf voor de duur van
80 (zegge: tachtig) uren
80 (zegge: tachtig) uren
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
40 (zegge: veertig) dagen;
40 (zegge: veertig) dagen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 300,00 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 300,00;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.A. van Steen, voorzitter,
mrs M. van Loenhoud en H.M. van Maurik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2013.
Mr. Van Loenhoud en mr. Van Maurik zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.