Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;
- verklaart het beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, van Armeense nationaliteit, diende een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Verweerder, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, wees de aanvraag af omdat België verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Verzoeker stelde dat verweerder onrechtmatig had gehandeld door niet eerst een voornemen tot afwijzing uit te reiken voordat het terugnameverzoek aan België werd ingediend, in strijd met artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder inderdaad niet in overeenstemming met artikel 3.118a Vb 2000 had gehandeld, omdat het terugnameverzoek al op 2 juli 2013 bij België was ingediend voordat het voornemen aan verzoeker was uitgereikt. Echter, verzoeker was niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij reeds was geïdentificeerd in Eurodac en tijdens de gehoren voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze kenbaar te maken. Ook het gelijktijdig afnemen van het eerste gehoor en het Dublingehoor werd niet onrechtmatig geacht, mede omdat verzoeker geen bezwaar had gemaakt tegen deze procedure.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het beroep geen redelijke kans van slagen had en wees zowel het verzoek om voorlopige voorziening als het beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om een partij in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; België blijft verantwoordelijk voor de asielaanvraag.