De bank vorderde betaling van een bedrag van €38.630,49 van eiseres [A], waarop een verstekvonnis werd gewezen. Dit vonnis werd aan [A] betekend, maar niet persoonlijk in handen gegeven. Later legde de bank executoriaal derdenbeslag onder de gemeente Pijnacker-Nootdorp, waarna een eerste uitbetaling aan de bank plaatsvond.
[A] kwam echter pas ruim anderhalf jaar na deze eerste uitbetaling in verzet tegen het verstekvonnis. De rechtbank oordeelde dat de verzetstermijn van vier weken na de eerste uitbetaling was verstreken, waardoor het verzet te laat was ingesteld. De rechtbank weegt het belang van de bank bij rechtszekerheid tegen het belang van [A] op toegang tot de rechter en concludeert dat de toegang tot de rechter voldoende was gewaarborgd door de persoonlijke betekening van de inleidende dagvaarding.
Daarom verklaart de rechtbank [A] niet-ontvankelijk in haar verzet en in haar reconventionele vordering tot vernietiging van de kredietovereenkomst. Tevens wordt [A] veroordeeld in de proceskosten van de bank.