Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 7 juni 2013 (per fax) ingekomen verzoekschrift,
- de brieven van mr. Knottenbelt van 12 en 27 juni 2013 en van 12 augustus 2013,
- het op 28 augustus 2013 ingekomen verweerschrift.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak verzet [A] zich tegen de exequatur van een Frans vonnis dat haar hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan IFB in een internationale vervoerszaak onder het CMR-verdrag. [A] betoogt dat artikel 31 lid 4 CMR Pro de tenuitvoerlegging van een vonnis dat slechts uitvoerbaar bij voorraad is, uitsluit en dat het Franse vonnis onverenigbaar is met een eerder Nederlands vonnis.
De rechtbank oordeelt dat de tenuitvoerleggingsregeling van artikel 31 lid 4 CMR Pro niet mag worden toegepast ten nadele van de doelstellingen van het Unierecht zoals neergelegd in de EEX-Verordening. Het beginsel van wederzijds vertrouwen en het vrije verkeer van beslissingen binnen de EU maken dat het Franse vonnis, ook al is het uitvoerbaar bij voorraad, in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd.
Verder stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van vereenzelviging van partijen tussen IFB en de gedaagden in de eerdere Nederlandse procedure, zodat er geen onverenigbaarheid is tussen de vonnissen. Het verzoek tot aanhouding van de beslissing wordt afgewezen. Het verzet wordt ongegrond verklaard en [A] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet van [A] tegen de exequatur van het Franse vonnis wordt ongegrond verklaard en het vonnis blijft uitvoerbaar in Nederland.