ECLI:NL:RBDHA:2013:14191

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2013
Publicatiedatum
24 oktober 2013
Zaaknummer
AWB 13/25431
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Wet openbaarheid bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar China

Eiser, een Chinese nationaliteit, is op 8 augustus 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder werd een eerste beroep op 30 augustus 2013 ongegrond verklaard. Eiser betwist het zicht op uitzetting naar China en stelt dat hij zijn originele paspoort kwijt is, wat de uitzetting zou bemoeilijken.

De rechtbank stelt vast dat op basis van een beslissing op een Wob-verzoek blijkt dat in 2012 en 2013 geen door Chinese autoriteiten gehonoreerde laissez passer-aanvragen zijn geregistreerd, waardoor het zicht op uitzetting via een laissez passer discutabel is. Echter kan eiser zelfstandig naar China terugkeren met zijn originele paspoort, waarvan een kopie aanwezig is en waarvan uit het vertrekgesprek blijkt dat hij het in 2010 terug heeft gekregen.

Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij het originele paspoort niet meer bezit, noch heeft hij dit onderbouwd met bijvoorbeeld een aangifte van vermissing. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, terwijl van hem verwacht mag worden dat hij duidelijkheid verschaft over zijn paspoort.

Gelet op deze omstandigheden is het zicht op uitzetting afhankelijk van de opstelling van eiser, maar er is geen reden te veronderstellen dat dit zicht geheel ontbreekt. De rechtbank acht de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000 en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 13/25431

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2013

inzake

[eiser] geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit, eiser,

gemachtigde mr. R.W. Koevoets,
tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde G.I. Ramsaroep.

Procesverloop

Op 8 augustus 2013 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 augustus 2013 is het eerste beroep strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 30 september 2013 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts heeft hij om schadevergoeding verzocht.
Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 2 oktober 2013 een voortgangsrapportage ingezonden. Eiser heeft hierop gereageerd bij fax van 3 oktober 2013.
Het beroep is behandeld op de zitting van 15 oktober 2013. Eiser en zijn gemachtigde waren afwezig met bericht van verhindering. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.
Eiser betwist het zicht op uitzetting naar China.
2.
Verweerder heeft op 20 juni 2013 een beslissing genomen op een verzoek ingevolge de Wet openbaarheid bestuur aangaande het laissez passer (lp)-proces China. Deze beslissing is te vinden op www.dienstterugkeerenvertrek.nl/actueel/wob-verzoeken (gearchiveerd op
26 juni 2013). Uit deze beslissing blijkt onder meer dat er in 2012 en 2013 (tot en met mei) geen door de Chinese autoriteiten gehonoreerde lp-aanvragen zijn geregistreerd. In het licht van deze informatie geeft de rechtbank eiser mee dat het zicht op uitzetting naar China op basis van een lp zeer discutabel is.
3.
Dat laat evenwel onverlet dat eiser zelfstandig naar China kan terugkeren aan de hand van zijn originele paspoort, in welk geval een lp niet nodig is. Voornoemde beslissing geeft er immers blijk van dat in 2012 45 uitzettingen hebben plaatsgevonden en in 2013 vijf.
4.
Een kopie van het paspoort van eiser is voorhanden. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 14 augustus 2013 dat eiser zijn paspoort in 2010 terug heeft gekregen van de vreemdelingenpolitie. Dit levert een concrete aanwijzing op voor de veronderstelling dat eiser het originele exemplaar in zijn bezit heeft. Eiser heeft tot op heden niet aannemelijk gemaakt dat hij niet (meer) over dit originele exemplaar beschikt of kan beschikken. Hij heeft in dit verband slechts verklaard dat hij dit document is kwijtgeraakt. Deze verklaring heeft eiser echter niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van een aangifte van vermissing. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende verplichting om mee te werken aan zijn uitzetting, in welk verband van hem verwacht mag worden dat hij helderheid verschaft over zijn originele paspoort.
5.
Gelet op het vorenstaande is het zicht op uitzetting sterk afhankelijk van de opstelling van eiser. Er is echter geen aanleiding voor het oordeel dat dit zicht thans geheel ontbreekt. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de
Vw 2000.
6.
Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Gelet hierop zal voorts het verzoek tot schadevergoeding worden afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling
7.
Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2013.