Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser]
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Den Haag
Verweerder legde eiser een inreisverbod van twee jaar op omdat eiser zich jarenlang illegaal in Nederland zou hebben opgehouden en zich aan toezicht had onttrokken. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank stelde vast dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat verweerder geen aanknopingspunten in het beleid kon geven die het inreisverbod rechtvaardigen.
Verweerder baseerde het inreisverbod op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid in paragraaf A4/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dat ziet op vreemdelingen die strafbare feiten hebben gepleegd of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid. De rechtbank oordeelde dat eiser niet werd verweten dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde en verweerder dit ook niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat het beleid geen ruimte biedt om een langdurig illegaal verblijf en het ontlopen van toezicht als grondslag voor een inreisverbod onder het openbare ordebeleid te scharen zonder expliciete beleidswijziging. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd. De overige onderdelen van het terugkeerbesluit bleven in stand. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het opgelegde inreisverbod van twee jaar is vernietigd wegens ontbreken van beleidsgrondslag en onvoldoende motivering.