Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser],
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
staat van tekenen
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van het legestarief centraal dat verschuldigd is voor de behandeling van een verblijfsvergunningaanvraag van een familielid van een Turkse onderdaan die zich als zelfstandige in Nederland heeft gevestigd.
Eiser diende een aanvraag in voor verblijf als gezinslid en betaalde een legestarief van € 830,–. Verweerder stelde dat het lagere legestarief van € 41,– alleen geldt voor gezinsleden van Turkse onderdanen met bepaalde werkgerelateerde verblijfsdoelen, niet voor zelfstandigen. De rechtbank baseert zich op uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat het hogere legestarief in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije.
De rechtbank oordeelt dat eiser recht heeft op het lagere legestarief van € 41,– en dat verweerder ten onrechte het hogere bedrag in rekening heeft gebracht. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag en vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van gelijke behandeling van Turkse zelfstandigen en hun familieleden conform het non-discriminatiebeginsel, en corrigeert de onjuiste toepassing van legestarieven door de overheid.
Uitkomst: Het legestarief wordt vastgesteld op € 41,– en verweerder moet het teveel betaalde bedrag van € 789,– terugbetalen.