ECLI:NL:RBDHA:2013:15179
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Somalië ondanks beroep op artikel 8 EVRM
Verzoeker, die zich in vreemdelingenbewaring bevindt en een inreisverbod van tien jaar heeft, verzocht de voorzieningenrechter om de voorgenomen uitzetting naar Somalië op 5 november 2013 te verbieden. Hij stelde dat de uitzetting in strijd is met zijn rechten op gezins- en privéleven zoals beschermd door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verzoeker voerde aan dat hij al twintig jaar in Nederland verblijft, ingeburgerd is en een familieband heeft met zijn moeder en zussen hier.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voerde aan dat de uitzetting gerechtvaardigd is vanwege de criminele antecedenten van verzoeker en het belang van de openbare orde. Tevens stelde hij dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat artikel 8 EVRM Pro zich tegen de uitzetting verzet. De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitzetting niet kan worden tegengehouden op basis van de onduidelijkheden over de uitvoering van uitzettingen naar Somalië, mede omdat de Somalische autoriteiten toestemming hadden gegeven.
Verder overwoog de voorzieningenrechter dat het inreisverbod niet betekent dat verzoeker geen rechtsmiddel heeft om zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro aan de rechter voor te leggen; dit kan in een andere procedure tegen het inreisverbod. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de belangen van de openbare orde zwaarder wegen dan het belang van verzoeker bij het voortzetten van zijn gezins- en privéleven in Nederland. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Somalië wordt afgewezen.