Uitspraak
(gemachtigde: [A]),
Rechtbank Den Haag
Eiseres was van maart 2009 tot en met 2010 als masseuse werkzaam bij een wellnesscentrum en behandelde daarnaast enkele particuliere klanten. Zij had met het wellnesscentrum een freelance overeenkomst gesloten waarin sprake was van zelfstandige beroepsuitoefening tegen een vast uurloon. Na een boekenonderzoek oordeelde de Belastingdienst echter dat sprake was van een dienstbetrekking en kwalificeerde de inkomsten als loon.
De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende zelfstandigheid had, omdat zij werkte onder richtlijnen van het wellnesscentrum, geen ondernemersrisico liep, gebruik maakte van materialen en ruimten van het centrum, en verplicht was persoonlijk te werken zonder zich te mogen laten vervangen. De tarieven werden door het centrum vastgesteld en de betalingen liepen via het centrum.
Eiseres' beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat zij geen concrete gevallen aantoonde en de meerderheidsregel regionaal geldt. De rechtbank concludeerde dat de arbeidsrelatie een dienstbetrekking was, waardoor de inkomsten als loon moesten worden aangemerkt en het beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiseres in dienstbetrekking werkte en verklaart het beroep ongegrond.