ECLI:NL:RBDHA:2013:15321
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening verblijfsvergunning bij echtgenoot wegens objectieve belemmering gezinsleven in Zweden
Verzoekers, een vrouw en haar minderjarige kinderen van Iraakse nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij hun echtgenoot/vader met een Nederlandse asielvergunning. Verweerder wees dit af wegens ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van vrijstelling daarvan, mede omdat het gezinsleven in Zweden zou kunnen worden voortgezet.
Verzoekers betoogden dat het gezinsleven pas na vertrek uit Irak ontstond, het huwelijk was voorafgaand gesloten, en dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Zweden voort te zetten. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder onterecht aannam dat het gezinsleven in Zweden kon worden voortgezet, omdat verzoekster in Zweden geen verblijfsrecht heeft en dreigt te worden uitgezet naar Irak.
De rechter stelde vast dat de echtgenoot niet kan terugkeren naar Irak en dat er dus objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven elders dan in Nederland uit te oefenen. Bij de belangenafweging weegt het belang van verzoekers, mede gelet op de binding van de kinderen met hun vader en grootmoeder, zwaarder dan het belang van de Staat. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen, met een verbod op uitzetting tot vier weken na beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekers wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.