ECLI:NL:RBDHA:2013:15613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verklaring onrechtmatigheid persoonlijk onderzoek en voortzetting schaderegeling na verkeersongeval
Op 21 december 1999 raakte verzoeker betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij ernstig letsel opliep. Omdat de veroorzaker onbekend bleef, keerde het Waarborgfonds schadevergoeding uit en nam de schaderegeling ter hand. Vanwege twijfels over de beperkingen en het verlies van verdiencapaciteit van verzoeker, liet het Waarborgfonds in 2006 een persoonlijk onderzoek uitvoeren waarbij verzoeker zonder zijn medeweten werd gevolgd en gefilmd.
Verzoeker stelde dat dit onderzoek onrechtmatig was en dat hij het Waarborgfonds niet had misleid. Hij verzocht de rechtbank om verklaringen voor recht dat het onderzoek onrechtmatig was, dat hij niet had misleid, dat zijn recht op schadevergoeding niet was vervallen en dat de schaderegeling moest worden voortgezet. Het Waarborgfonds betwistte dit en stelde dat het onderzoek rechtmatig was en dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was.
De rechtbank oordeelde dat de verzoeken binnen de deelgeschilprocedure vielen, maar dat de verzochte beslissingen niet zouden bijdragen aan het bevorderen van buitengerechtelijke onderhandelingen. Het Waarborgfonds baseerde haar weigering tot voortzetting van de schaderegeling niet alleen op het persoonlijk onderzoek, maar vooral op cijfermatige gegevens waaruit bleek dat verzoeker vanaf 2005 substantiële inkomsten had genoten. Verzoeker had onvoldoende bewijs geleverd van resterende schade.
De rechtbank concludeerde dat het geschil niet werd belemmerd door de rechtmatigheid van het onderzoek of de vraag van misleiding, maar door het ontbreken van nadere onderbouwing van resterende schade. De verzoeken werden daarom afgewezen. De kosten van de procedure werden begroot op €4.657,23 en komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien in rechte wordt vastgesteld dat het Waarborgfonds gehouden is tot aanvullende schadevergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek af en begroot de proceskosten op €4.657,23.