Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2013 in de zaak tussen
(gemachtigde: [A]),
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft op 19 april 2013 aangifte gedaan van loonheffingen over maart 2013, met een bedrag van €54.884. Vervolgens maakte zij op 2 mei 2013 bezwaar tegen de afdracht van deze loonheffingen, specifiek tegen de pseudo-eindheffing op grond van artikel 32bd Wet op de Loonbelasting 1964. De inspecteur legde op 24 mei 2013 een naheffingsaanslag op wegens het niet afdragen van de loonheffingen, inclusief een verzuimboete, welke eiseres heeft voldaan.
De inspecteur verklaarde het bezwaar op 5 juni 2013 niet-ontvankelijk omdat het bezwaar voortijdig was ingediend, namelijk vóór de afdracht van de loonheffingen. De rechtbank toetste deze niet-ontvankelijkverklaring aan de hand van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 26 AWR Pro kan bezwaar worden gemaakt tegen afdracht op aangifte, waarbij de bezwaartermijn begint na de afdracht (artikel 22j AWR).
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat eiseres het bezwaar indiende vóór de afdracht, waardoor de bezwaartermijn nog niet was aangevangen. Artikel 6:10 Awb Pro biedt geen grond om deze niet-ontvankelijkheid te negeren, omdat de afdracht daadwerkelijk uitbleef en de inspecteur een naheffingsaanslag oplegde. Er was geen sprake van een situatie waarin eiseres redelijkerwijs kon menen dat het besluit al tot stand was gekomen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de aangifte loonheffingen is niet-ontvankelijk verklaard omdat het voortijdig werd ingediend vóór de afdracht.