ECLI:NL:RBDHA:2013:16324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2013
Publicatiedatum
3 december 2013
Zaaknummer
AWB-12_11545
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:13 CAR gemeente DelftArt. 8:6 CAR gemeente DelftWet aanpassing bestuursprocesrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag teamleider wegens plichtsverzuim bij vervalsing uitkeringsformulieren

Eiser, werkzaam als teamleider bij de gemeente Delft, is primair strafontslag verleend wegens eigenhandig plaatsen van handtekeningen en kruisjes op formulieren van uitkeringsgerechtigden, wat leidde tot onterechte uitkeringen. Dit werd vastgesteld na rapportages van interne en externe onderzoeken.

Eiser betwist het plichtsverzuim niet, maar stelt dat het een eenmalig incident was zonder eigen gewin en dat ontslag als disciplinaire straf niet evenredig is. De rechtbank overweegt dat eiser een voorbeeldfunctie had en door zijn handelen het vertrouwen van de werkgever heeft geschaad.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en oordeelt dat het disciplinaire ontslag niet onevenredig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het strafontslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 12/11545 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

het college van Burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: mr.drs. J.H.M. Wesseling).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 november 2012, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2012 ongegrond is verklaard.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 2 juli 2013 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A].

Overwegingen

1
Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.
2
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1
Op 23 maart 2012 is op verzoek van de gemeente delft een rapportage uitgebracht door een medewerker van het Team Parkeren en Bijzonder Onderzoek van de gemeente Delft ter zake van het handelen van eiser met betrekking tot formulieren van bijstandsgerechtigden.
2.2
Op 14 mei 2012 is een rapportage uitgebracht door het particulier onderzoeksbureau Interseco Investigations (Interseco) ter zake van een feitenonderzoek ten aanzien van eiser naar aanleiding van een integriteitsschending.
2.3
Bij brief van 21 mei 2012 is eiser het voornemen om hem primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag te verlenen kenbaar gemaakt. Bij brief van 8 juni 2012 heeft verzoeker zijn zienswijze ingediend.
2.4
Bij besluit van 19 juni 2012, verzonden op 27 juni 2012, heeft verweerder eiser per 1 juli 2012 primair strafontslag verleend uit zijn functie van teamleider bij de afdeling [afdeling] van het cluster [cluster] op grond van artikel 8:13 van Pro de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) van de gemeente Delft en subsidiair ongeschiktheidsontslag verleend op grond van artikel 8:6 van Pro de CAR van de gemeente Delft.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij uitspraak van 4 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het in dit kader gedane verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 12/5749 AW).
Eiser is op 25 september 2012 naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord door de Adviescommissie voor bezwaarschriften, Kamer IV (de commissie). De commissie heeft op 23 oktober 2012 een advies uitgebracht.
2.5
Bij besluit van 30 oktober 2012, verzonden op 7 november 2012, heeft verweerder, onder overneming van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft bij brief van 19 december 2012 beroep ingesteld tegen dit besluit.
3
Verweerder heeft aan het strafontslag ten grondslag gelegd dat eiser plichtsverzuim heeft gepleegd. Eiser wordt verweten
a dat hij eigenhandig een handtekening heeft geplaatst, te kwalificeren als het vervalsen van een handtekening, en een datum op een aantal verklaringen
(statusformulieren) van uitkeringsgerechtigden;
b dat hij op de plaats van ontbrekende kruisjes op formulieren eigenhandig kruisjes heeft geplaatst, waarmee vragen zijn beantwoord die bepalend zijn voor een (onverminderd) recht op uitkering van de betreffende uitkeringsgerechtigden; en
c dat hij in eerste instantie niet volledig en open is geweest richting zijn leidinggevende over de omvang van de gedragingen.
Aan de subsidiaire ontslaggrond zijn dezelfde gedragingen ten grondslag gelegd.
4
Eiser heeft - voor zover van belang - aangevoerd dat in het rapport van Interseco van 14 mei 2012 is geconcludeerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en geen eigen gewin heeft gehad bij zijn ondoordachte handelwijze. Eiser stelt dat het een eenmalig incident betrof en dat hij eigen beweging zijn fouten bij zijn leidinggevende kenbaar heeft gemaakt. Eiser stelt dan ook dat de disciplinaire straf van ontslag niet evenredig kan worden geacht. De verwijzing van verweerder naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 juni 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY3781) en van 20 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM7243) is niet gemotiveerd.
5
De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is beperkt tot de primaire ontslaggrond, te weten de disciplinaire straf van ontslag. De rechtbank zal zich dan ook tot deze ontslaggrond beperken. Eiser betwist in dat kader niet, en mitsdien is tussen partijen niet in geschil, dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Aan de orde is dan ook nog slechts de vraag of de opgelegde maatregel van disciplinair ontslag evenredig is aan het plichtsverzuim. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
Eiser was werkzaam als teamleider van vier subteams, waaronder het team uitkeringsadministratie. In die hoedanigheid had hij een voorbeeldfunctie, waarin zijn gedrag invloed heeft op het aanzien en de geloofwaardigheid van de gemeente. Hij heeft dan ook door zijn gedragingen het vertrouwen van verweerder verspeeld. Terecht heeft verweerder in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Raad van 29 juni 2006 en 20 mei 2010. Dat eiser zelf melding heeft gemaakt van zijn handelingen, en zich daarmee onderscheidt van een medewerker die betrapt wordt op foutieve handelingen, maakt niet dat verweerder in het geval van eiser niet (ook) over kon gaan tot disciplinaire ontslag. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
6
Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
7
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. D.G.J. Dop en mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.