De werkneemster was 24 jaar in dienst als general manager bij Badhotel Vastgoed B.V. en werd gevraagd vrijwillig uit dienst te gaan vanwege een voorgenomen overgang van onderneming. Na weigering volgde een ontslagaanvraag bij het UWV die werd geweigerd wegens onvoldoende onderbouwing van de reorganisatie.
Badhotel stelde vervolgens dat de werkneemster onbekwaam was voor haar functie en verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grond. De werkneemster verzocht zelf ook om ontbinding wegens onredelijke omstandigheden en een vergoeding van €400.000.
De kantonrechter oordeelde dat Badhotel onvoldoende bewijs leverde voor de onbekwaamheid en dat de werkneemster terecht op non-actief was gesteld na het weigeren van verwijdering van facturen uit de boekhouding. De verhouding tussen partijen was blijvend verstoord door de handelswijze van Badhotel, die als verwijtbaar werd aangemerkt.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 januari 2014 en aan de werkneemster werd een vergoeding van €400.000 toegekend, met daarnaast een gedeeltelijke vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De procedure illustreert de bescherming van werknemers tegen onrechtmatige beëindiging en het belang van een goede onderbouwing door werkgevers.