Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2013:17499

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
2246945 EJ VERZ 13-87000
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475e RvArt. 438a lid 1 RvArt. 262 RvArt. 429c lid 12 Rv (oud)Art. 49 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij verzoek tot vaststelling beslagvrije voet derdenbeslag AOW

In deze civiele zaak verzocht de verzoekende partij, woonachtig in Duitsland, de kantonrechter om vaststelling van een beslagvrije voet met betrekking tot derdenbeslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te Amstelveen.

De kantonrechter stelde vast dat hij absoluut bevoegd is op grond van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor de relatieve bevoegdheid werd de bijzondere regeling van artikel 438a lid 1 Rv toegepast, een uitzondering op de hoofdregel van artikel 262 Rv Pro. Uit de wetsgeschiedenis bleek niet dat de wetgever de relatieve bevoegdheid voor zaken op grond van artikel 475e Rv wilde wijzigen.

De kantonrechter onderzocht de plaats van executie en concludeerde dat deze plaats Amstelveen is, waar de SVB haar zetel heeft. Hoewel exploten aan vestigingen van de SVB worden betekend, berust dit op afspraken en betekent dit niet dat de executie daar plaatsvindt. Hierdoor was de kantonrechter bevoegd in Amsterdam, de plaats van de zetel van de SVB.

De zaak werd daarom verwezen naar het Team kanton van de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter oordeelt bevoegdheid op grond van artikel 475e en 438a Rv en verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Team kanton Den Haag
Zaaknummer: 2246945 EJ VERZ 13-87000
Datum: 22 oktober 2013

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster],wonende te [woonplaats]Duitsland,

verzoekende partij tot vaststelling van een
beslagvrije voet,
met betrekking tot het derdenbeslag gelegd onder:
de
Sociale Verzekeringsbank,
gevestigd te Amstelveen.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als “verzoekende partij” en de “SVB”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzoekschrift met bijlagen van 8 augustus 2013.

Verzoek

Verzoekende partij verzoekt de kantonrechter om op grond van het bepaalde in artikel 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een beslagvrije voet vast te stellen.

Beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 475e Rv is de kantonrechter absoluut bevoegd om kennis te nemen van verzoeken gestoeld op dat artikel.
De relatieve bevoegdheid moet naar het oordeel van de kantonrechter worden vastgesteld aan de hand van de bijzondere regeling van artikel 438a lid 1 Rv, welke bepaling een uitzondering vormt op de hoofdregel die is neergelegd in artikel 262 Rv Pro.
De kantonrechter acht hiervoor redengevend dat het thans in artikel 438a lid 1 Rv bepaalde, voorheen in artikel 429c lid 12 Rv (oud) stond, met dien verstande dat waar thans in de bepaling “de voorzieningenrechter” staat, in de oude bepaling “de president van de rechtbank of de kantonrechter” stond. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de bepaling heeft willen overbrengen naar “een meer geëigende plaats”. [1] Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet waarom de kantonrechter niet (meer) is opgenomen in artikel 438a lid 1 Rv en evenmin dat de wetgever heeft beoogd de relatieve bevoegdheidsregel in zaken gestoeld op artikel 475e Rv te willen wijzigen. Een en ander vormt voor de kantonrechter aanleiding om te veronderstellen dat de relatieve bevoegdheid moet worden vastgesteld aan de hand van het bepaalde in artikel 438a lid 1 Rv.
Op grond van het bepaalde in artikel 438a lid 1 Rv heeft de kantonrechter vast te stellen waar de executie plaatsvindt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in ieder geval Amstelveen, de plaats waar de SVB haar zetel heeft.
Het is de kantonrechter niet (in voldoende mate bekend) welke functie de vestigingen van de SVB hebben en wat de werkzaamheden zijn die vanuit die vestigingen worden verricht. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of aan de vestigingen betekende exploten van derdenbeslag handelingen betreffen welke vanuit die vestigingen plegen te worden verricht. De kantonrechter kan aldus niet vaststellen of artikel 49 Rv Pro een grondslag geeft voor betekening van exploten aan die vestigingen en of de executie (ook) op die vestigingen plaatsvindt. Dat exploten toch aan deze vestigingen worden betekend en dat daaraan vervolgens uitvoering wordt gegeven door de SVB, berust op een afspraak van de SVB met (onder meer) deurwaarders. Deze afspraak rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet de conclusie dat de executie plaatsvindt op de plaats waar het beslagexploot betekend is.
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de kantonrechter bevoegd is in de plaats waar de SVB haar zetel heeft. Dat is de kantonrechter te Amsterdam.

Beslissing

De kantonrechter verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar Team kanton van de rechtbank Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2013.

Voetnoten

1.Memorie van Toelichting bij de Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, p. 178.