Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[A],
[B],
1.[C],
2.[D],
€ 200.000,- uit 2002 in de jaren 2003 en 2004 tot 1 december 2004 met € 24.200,- was afgenomen. Niet accepteert de rechtbank echter dat met de inhoud van de omstreden productie 4 van [C] ook vaststaat dat [C] dit totaalbedrag van € 24.200,- of enig ander totaalbedrag ook daadwerkelijk contant en/of per giro heeft afbetaald. Bij gebreke van verdere verifieerbare bewijsstukken en bewijsmogelijkheden van [C] over de daadwerkelijke deelbetalingen zal de rechtbank dit bedrag van € 24.200,- evenals de advocaat van [A] en [B] dat doet op bladzijde 6 van haar nadere conclusie van 23 oktober 2013 derhalve kwalificeren als een schenking van vader [X] aan [C] per 1 december 2004, die dus (slechts) meetelt bij de berekening van de legitieme porties van [A] en [B].
€ 1.362.967,17 negatief (zie rov. 21), te vermeerderen met de in aanmerking te nemen vaststaande giften aan [C] van tenminste € 24.200,- (zie rov. 10) en € 29.492,14 (zie rov. 12), dat is tenminste € 1.309.275,03 negatief. Ook indien men daarenboven nog zou meetellen de gestelde maar betwiste en dus niet vaststaande giften van vader aan de vier kinderen van kort gezegd destijds ieder fl. 90.000,- plus fl. 34.000,- extra aan [D] plus fl. 10.000,- extra aan [C] - dat is in totaal omgerekend € 183.327,21 - en de naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in rov. 28 van haar tussenvonnis van 26 juni 2013 in aanmerking te nemen gift van omgerekend maximaal € 148.386,13 voor de daar vermelde vier onroerende zaken, leert een eenvoudige rekensom dat de legitimaire massa in het meest gunstige geval voor [A] en [B] in deze procedure moet worden vastgesteld op € 977.561,69 negatief. Van betaling van geschonden positieve legitieme porties kan bij deze hoe dan ook fors negatieve stand van zaken uiteraard geen sprake zijn. De desbetreffende vorderingen moeten reeds daarom worden afgewezen.