ECLI:NL:RBDHA:2013:18072
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod tenuitvoerlegging gevangenisstraf na afgewezen gratieverzoek
De eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Na diverse procedures en klachten over niet-vervolging, diende hij een gratieverzoek in bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit verzoek werd afgewezen, waarna eiser een kort geding startte om de tenuitvoerlegging van zijn straf te verbieden en een nieuwe beslissing op het gratieverzoek te eisen.
De eiser stelde dat de Staat het vertrouwensbeginsel had geschonden door hem te laten geloven dat zijn gratieverzoek zou worden toegewezen, mede door een brief waarin sprake was van 'intrekking vonnis/arrest i.v.m. gratie' en een vermeend telefonisch bericht. Daarnaast werd betoogd dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel waren geschonden omdat adviezen niet waren bijgevoegd en onjuiste informatie was gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat de brief onvoldoende was om gerechtvaardigd vertrouwen te wekken en dat het telefoongesprek niet aannemelijk was gemaakt. Ook was geen sprake van schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel, aangezien de adviezen wettelijk niet bij de beslissing behoorden te worden gevoegd en de medische toestand van eiser geen aanleiding gaf tot een andere beslissing.
De vordering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is genomen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 18 december 2013.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf af en veroordeelt eiser in de proceskosten.