De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Den Haag om ondertoezichtstelling van drie minderjarigen vanwege een bedreigde ontwikkeling door onderstimulatie in de thuissituatie. De minderjarigen verblijven bij hun moeder en haar partner, die het ouderlijk gezag uitoefent. De ouders geven volgens de Raad meer prioriteit aan hun werk dan aan de belangen van de kinderen, waardoor de ontwikkeling van de minderjarigen wordt geschaad.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, verschenen vertegenwoordigers van de Raad en Bureau Jeugdzorg. De moeder en haar partner waren niet aanwezig, maar waren volgens de administratie correct opgeroepen. De kinderrechter concludeerde dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn, vooral vanwege het falen van vrijwillige hulpverlening ondanks een tweede kans.
De rechtbank stelde de minderjarigen per beschikking van 23 december 2013 voor de duur van één jaar onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.