ECLI:NL:RBDHA:2013:18580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht en oplegging inreisverbod
Eiser, een Vietnamese nationaliteit bezittende vreemdeling, kreeg in 2005 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd toegekend met terugwerkende kracht tot 1999. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in vanwege het verstrekken van onjuiste persoonsgegevens bij binnenkomst in Nederland in 1999. Tevens werd een inreisverbod van vijf jaar opgelegd.
Eiser voerde aan dat de termijn van twaalf jaar, genoemd in artikel 3.84 van het Vreemdelingenbesluit 2000, was verstreken en dat de intrekking een schending van artikel 8 EVRM Pro betekende. Ook stelde hij dat hij niet in persoon was gehoord over het inreisverbod en dat de vertrektermijn ten onrechte op nul dagen was gesteld.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van twaalf jaar begint te lopen vanaf de datum van de vergunningverlening in 2005 en niet vanaf de terugwerkende ingangsdatum. Er was geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM Pro omdat eiser onvoldoende sociale banden had opgebouwd en zijn privéleven in Vietnam kon voortzetten. Het horen van eiser in bezwaar was niet verplicht omdat geen andersluidend besluit te verwachten was. Het inreisverbod was terecht opgelegd voor vijf jaar en de vertrektermijn mocht op nul dagen worden gesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en het opleggen van een inreisverbod van vijf jaar wordt ongegrond verklaard.