Uitspraak
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
1.De voorgeschiedenis en het procesverloop
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
3.Het standpunt van verzoeker
4.Het standpunt van de bestuursrechters
5.De beoordeling
6. De beslissing
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, vertegenwoordigd door hun gemachtigde, dienden een wrakingsverzoek in tegen drie bestuursrechters die betrokken waren bij de behandeling van beroepschriften inzake naheffingsaanslagen BPM opgelegd door de Belastingdienst. Het verzoek was gebaseerd op vermeende partijdigheid omdat de bestuursrechters eerder in soortgelijke zaken uitspraken hadden gedaan die volgens verzoekers onjuist waren.
De wrakingskamer behandelde het verzoek op 19 juni 2013. De bestuursrechters ontkenden de beschuldigingen en stelden dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien de gemachtigde al op 2 mei 2013 op de hoogte was van de zittingsamenstelling, maar het verzoek pas op 17 juni 2013 werd ingediend.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet aan de vereiste tijdigheid voldeed zoals bepaald in artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast werd opgemerkt dat bezwaren tegen inhoudelijke rechtsoordelen geen grond voor wraking kunnen vormen. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.