ECLI:NL:RBDHA:2013:19305
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens gezamenlijke agendering zittingen
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit omtrent de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) 2013. De rechtbank Den Haag had de behandeling van vier zaken, waaronder de VAR-zaak van verzoeker en drie IB-aangiftezaken van andere partijen, op dezelfde datum en tijd gepland. Verzoeker diende samen met anderen een wrakingsverzoek in tegen de rechter vanwege vermeende schijn van vooringenomenheid door deze gezamenlijke agendering.
De rechter gaf aan dat de gezamenlijke agendering een procesrechtelijke en organisatorische beslissing was, mede ingegeven doordat verzoekers gemachtigde ook in de andere zaken optreedt en er vergelijkbare geschilpunten spelen. Er was geen sprake van daadwerkelijke samenvoeging van de zaken tijdens de zitting. Verzoeker stelde dat eerdere gezamenlijke behandelingen onrechtmatig waren en verwees naar een zitting van het Gerechtshof, maar de wrakingskamer verklaarde zich hiervoor onbevoegd.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestaat. De enkele gezamenlijke agendering van zittingen vormt geen grond voor het aannemen van schijn van partijdigheid. Zonder aanvullende feiten werd het wrakingsverzoek afgewezen. De procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheid.