Verzoeker, verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, diende tijdens de zitting van 27 juni 2013 een mondeling wrakingsverzoek in tegen de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag. Hij stelde dat de rechters vooringenomen waren omdat hij niet vooraf was geïnformeerd over het horen van twee getuigen, waardoor hij zich niet kon voorbereiden, en omdat de voorzitter slechts vragen stelde die tot zijn veroordeling leidden. Tevens meende hij dat de andere rechters onkritisch waren en hem de mond hadden gesnoerd.
De meervoudige strafkamer en de officier van justitie stelden dat er geen sprake was van enige wrakingsgrond of schijn van partijdigheid. De wrakingskamer overwoog dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. Processuele beslissingen, zoals het horen van getuigen, vormen geen grond voor wraking. Uit het proces-verbaal bleek geen aanwijzing voor vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeerde dat de feiten en omstandigheden geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren. Het wrakingsverzoek werd afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek.