ECLI:NL:RBDHA:2013:19698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
14 maart 2016
Zaaknummer
AWB 12/15904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Sipkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit legesheffing langdurig ingezetene wegens onvoldoende motivering en hoorplicht

Aan eiseres en haar kinderen zijn verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd verleend, waarbij leges werden geheven. Eisers stelden dat deze leges ten onrechte of te hoog waren geheven. Verweerder erkende ter zitting dat voor twee van de drie vergunningen geen leges geheven hadden mogen worden en dat voor de derde een vermindering van de leges op zijn plaats was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet zonder meer kon afzien van het horen van eiser, omdat er een juridisch dispuut bestond over de legesheffing. Het bezwaar was niet kennelijk ongegrond en er was geen uitgemaakte zaak. Verweerder had onvoldoende onderbouwd waarom de hoorplicht niet zou gelden.

Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder het besluit niet partieel in stand kon laten omdat het ter zitting ingenomen standpunt niet overeenkwam met het eerdere besluit en de motivering. Verweerder had geen nieuw besluit genomen, geen schriftelijke onderbouwing gegeven en kon ter zitting geen gedetailleerde vragen beantwoorden, waardoor een goede procesvoorbereiding werd belemmerd.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot legesheffing wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/15904
V-nummer: [nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 mei 2013 in de zaak tussen:
[eiseres1],
geboren op [geboortedag1] 1979,
[eiser],
geboren op [geboortedag2] 2009
en
[eiseres2],
geboren op [geboortedag3] 2003, allen van Egyptische nationaliteit, eisers,
gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam,
en:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.T. Toussaint, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2013. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt het bestreden besluit,
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak
en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; met waarde per punt van € 472,--, wegingsfactor 1) en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht ad € 156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) te vergoeden.

Motivering

1. Aan [eiseres1] en haar kinderen [eiser] en [eiseres2] zijn verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd verleend bij besluiten van 16 november 2011, respectievelijk onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]’ en ‘gezinshereniging bij ouder [naam echtgenoot]’. De geheven leges bedragen in totaal € 800,-, te weten € 250,- voor de beide kinderen en € 300,- voor eiseres. Eisers voeren aan dat er geen leges geheven hadden mogen worden ofwel dat de geheven leges te hoog zijn. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten aanzien van [eiseres1] en [eiseres2] geen leges geheven hadden mogen worden en deze bedragen volledig zullen worden gerestitueerd. Verder stelt verweerder dat de geheven leges ten aanzien van [eiser] gerestitueerd zullen worden tot een bedrag van € 130,-. De proceskosten zullen door verweerder worden vergoed.
2. De rechtbank overweegt dat verweerder niet in redelijkheid af heeft kunnen zien van het horen van eiser in de bezwaarfase. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was geen sprake. Op het moment dat de gronden van bezwaar waren ingediend was reeds evident sprake van een juridisch dispuut betreffende de legesheffing. Er was dus geen sprake van een uitgemaakte zaak. Verweerder heeft zijn standpunt dat de hoorplicht alleen zou gelden indien er een verschil van mening bestaat over het feitencomplex onvoldoende onderbouwd.
3. De rechtbank overweegt verder dat vast staat dat er ten onrechte leges zijn geheven dan wel dat de geheven leges te hoog waren. Verweerder verzoekt om partiële vernietiging van het besluit en het besluit voor het overige resterende bedrag van 130,- euro in stand te laten. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Het besluit en de motivering die daaraan ten grondslag ligt is een totaal andere dan verweerders standpunt dat ter zitting is ingenomen. De rechtsstrijd en de juridische argumenten zijn volledig gewijzigd. De zaak gaat nog steeds over de geheven leges, echter er zijn nieuwe argumenten en standpunten naar voren gebracht, hetgeen de gemachtigde van eiser reeds heeft aangegeven in de aanvullende gronden die hij de rechtbank heeft toegestuurd. Het thans voorliggende dispuut is nog steeds geen uitgemaakte zaak. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen nieuw besluit heeft genomen, geen verweerschrift heeft opgesteld, geen brief heeft gestuurd betreffende de recente communicatie die heeft plaatsgevonden tussen partijen onderling en geen pleitnota heeft overgelegd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onvoldoende stukken overgelegd en ter zitting geen antwoord kunnen geven op gedetailleerde vragen. De rechtbank is van oordeel dat haar werkzaamheden onaanvaardbaar worden bemoeilijkt doordat in een dergelijke situatie de mogelijkheid tot een goede voorbereiding van de zaak en een goede behandeling ter zitting te zeer worden beperkt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit partieel in stand te laten. Verweerder dient het besluit tijdig en goed te motiveren.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. M. de Jong mr. R. Sipkens
griffier
rechter
afschrift verzonden op:
Conc.: MdJ
Coll.: WGS
D: B
VK
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.