2.het rapport 2B van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 14 mei 2013, opgesteld en ondertekend door [mijnheer], raadsonderzoeker;
Het onder 1 genoemde rapport houdt onder meer in, verkort en zakelijk weergegeven:
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, hetgeen hem kwetsbaar en beïnvloedbaar maakt. Het risico van overvraging is groot en er is sprake van een beperkt vermogen tot zelfreflectie. De verdachte is sociaal-emotioneel zwak. Hij heeft een gering vermogen zich in een ander in te leven. De kans op recidive wordt vergroot door het gemis aan positieve sociale contacten, beperkte copingvaardigheden, weinig inzicht in complexe situaties, beïnvloedbaarheid en het ontbreken van een situatie die bij zijn vermogens aansluit. Ook het bagatelliseren van problemen en het afweren van hulp en controle zijn van invloed op de recidivekans. Voor een positieve ontwikkeling moeten verschillende basisvoorwaarden worden gecreëerd, zoals een goed gestructureerd opvoedklimaat. Verder zijn een strakke begeleiding en begrenzing nodig. Er moet een hulpverleningsaanbod komen dat goed aansluit bij de intelligentie en persoonlijkheid van de verdachte. Hij kan profiteren van een individuele, ontwikkelingsgerichte therapie, gericht op het versterken van zijn sociale en morele vaardigheden en het stimuleren van de identiteitsontwikkeling en het gevoelsleven. Verder moet hij zo snel mogelijk weer naar school gaan en ter verdere invulling van de dagbesteding worden aangemeld bij een sportclub. Een GBM wordt geïndiceerd en het meest passend geacht ter voorkoming van recidive, gezien het lik op stuk karakter, de duidelijke afbakening, de programma’s op maat en de stok achter de deur. Bovendien hebben eerdere interventies onvoldoende gewerkt. Als contra-indicaties voor de GBM worden echter genoemd de beperkte verstandelijke vermogens en het feit dat een detentiestraf niet passend is bij de problematiek van de verdachte. Ouderbegeleiding kan niet worden ingezet omdat de ouders van de verdachte te weinig draagkracht hebben. Voorts zoekt de verdachte sterk de weg van zelfstandigheid op. In het rapport wordt een groot aantal behandeldoelen genoemd, gericht op de voorkoming van recidive en het creëren van een gunstige ontwikkeling van de verdachte, waarbij hij een goede dagbesteding zal hebben en kan worden gewerkt aan een goed toekomstperspectief. Ondersteuning in de vorm van ITB Harde Kern, uitgevoerd door de William Schrikker Stichting wordt geïndiceerd geacht. Ook kan Homerun Humanitas ondersteuning en begeleiding bieden. Een behandeling gericht op de sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking kan vanuit het Palmhuis of Stichting MEE worden geboden. Ook hierin kan Homerun mogelijk een rol spelen. Voorts wordt reguliere behandeling vanuit de (jeugd)reclassering, die kan doorlopen na de GBM, geadviseerd. Tot slot zou elektronisch toezicht onderdeel moeten uitmaken van de op te leggen hulpverlening. Voor de GBM wordt een termijn van een jaar geadviseerd. Mocht tijdens de GBM blijken dat de hulpverlening onvoldoende aansluit bij de mogelijkheden van de verdachte, dan kan in een time-out periode worden onderzocht of wijziging binnen de GBM aan orde is. Gedacht kan worden aan een uithuisplaatsing in een residentiële setting, gericht op jongeren met een licht verstandelijke beperking. Op het moment van opstellen van de rapportage bestond nog onduidelijkheid over de haalbaarheid van verschillende modules binnen de GBM.
In het onder 2 genoemde rapport worden vergelijkbare conclusies getrokken ten aanzien van de problematiek van de verdachte. Voorts houdt het rapport in, zakelijk weergegeven:
Het algemeen recidiverisico wordt hoog geschat. Het belangrijkste is dat de verdachte een goede daginvulling krijgt. Problematisch zijn het tekort aan vaardigheden, de mogelijke beïnvloeding, het niet vasthouden van een dagbesteding en het steeds slechter luisteren naar de hulpverlening. Ondersteuning op die gebieden is belangrijk. Homerun heeft veel expertise op dat gebied. Ter voorkoming van recidive heeft de verdachte externe druk nodig in de vorm van controle, alsook ondersteuning op weg naar de zelfstandigheid. Geadviseerd wordt om aan de verdachte op te leggen de GBM voor de duur van twaalf maanden. Deze maatregel kan de verdachte intensieve hulp op maat bieden en vormt een stok achter de deur. De voorwaarden waaraan de verdachte zou moeten meewerken zijn:
- Begeleiding door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting in het kader van ITB Harde Kern, gevolgd door de maatregel hulp en steun (dit biedt controle volgens een strikt programma);
- Individuele behandeling gegeven door een instelling als het Palmhuis of Stichting MEE, gericht op sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking;
- Elektronisch toezicht door de reclassering (zodat het voor de verdachte duidelijk is waar hij wanneer moet zijn);
- Begeleiding door Homerun Humanitas (een programma van zes uren per week, dat vooral praktische hulp biedt, speciaal gericht op licht verstandelijk beperkte jongeren).
Ter terechtzitting is verschenen de heer[mijnheer 2], als raadsonderzoeker werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming. Hij heeft verklaard dat de Raad voor de Kinderbescherming het nodig vindt dat de uitvoering van de jeugdreclassering door de William Schrikker Jeugdreclassering wordt uitgevoerd, aangezien deze instantie beter is toegerust om de verdachte met zijn specifieke problematiek te begeleiden. Aan de verdachte wordt dan de laatste kans geboden van een op hem toegespitst hulpverleningsprogramma te profiteren. De heer[mijnheer 2] heeft verklaard dat er weliswaar contra-indicaties zijn voor oplegging van de GBM, maar dat raadsonderzoeker [mijnheer] op creatieve wijze een programma heeft weten samen te stellen om de verdachte nog een kans te geven. De heer[mijnheer 2] heeft het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming gehandhaafd. Hij heeft aangegeven dat, indien de rechtbank de GBM niet haalbaar oordeelt, wordt geadviseerd om aan de verdachte de maatregel hulp en steun op te leggen, onder dezelfde voorwaarden als opgesteld voor de GBM. De heer[mijnheer 2] heeft voorts de dadelijke tenuitvoerlegging van de hulpverlening geadviseerd. Hij heeft benadrukt dat het, gelet op de uitgebreide problematiek van de verdachte, belangrijk is dat hij zo snel mogelijk met het voor hem opgestelde programma aan de slag gaat. De heer[mijnheer 2] heeft erkend dat het een ingewikkeld programma is en dat het risico bestaat dat het hulpverleningstraject zal mislukken. Omdat er veel steun en controle zal zijn, de verdachte zich thuis wel aan de regels houdt, er binnen de familie mogelijkheden zijn een baantje voor hem te regelen en Homerun zich met de praktische uitvoering van de maatregel kan bemoeien, is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat de verdachte toch een kans moet worden geboden om de GBM tot een succes te maken. Tot slot heeft de heer[mijnheer 2] verklaard dat de verdachte heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en dat daaruit is gebleken dat geen sprake is van een gedragsstoornis of psychische problematiek.
De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages voor zover deze zien op de bij de verdachte vastgestelde problematiek, de grote kans op recidive en de noodzaak passende hulpverlening te krijgen. Anders dan de officier van justitie en de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de GBM echter niet aangewezen is. Uit de onder 1 genoemde rapportage en hetgeen ter zitting door de heer[mijnheer 2] is verklaard, blijkt dat er duidelijke contra-indicaties zijn voor oplegging van de GBM aan de verdachte. De rechtbank acht, gelet op de houding en problematiek van de verdachte en het ontbreken van pedagogische vaardigheden bij de ouders, de kans op het mislukken van de maatregel dermate groot, dat zij oplegging van de maatregel niet in het belang van de verdachte acht. Indien de maatregel zou mislukken, zou een omvangrijke vervangende jeugddetentie het gevolg zijn, terwijl jeugddetentie nu juist niet in het belang is van de verdachte. De kans op mislukken wordt mede groot geacht omdat verdachte vanwege zijn verstandelijke beperking de gevolgen niet kan overzien van het niet nakomen van afspraken in het kader van ITB Harde Kern en het Elektronisch Toezicht. Met de officier van justitie en de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel gebaat zal zijn bij een langdurig en intensief, op zijn specifieke problematiek toegespitst hulpverleningstraject. Oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie vormt naar het oordeel van de rechtbank een passende en geboden reactie. Het voorwaardelijke deel zal dienen als stok achter de deur, ten einde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en ten einde hem ertoe te bewegen zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarde te houden. Dit voorwaardelijke deel zal korter zijn dan de vervangende jeugddetentie bij de GBM, zoals voorgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en geëist door de officier van justitie. Dit deel zal echter wel langer zijn dan de voorwaardelijke jeugddetentie, apart van de GBM door de officier van justitie gevorderd, nu sprake dient te zijn van een stevige stok achter de deur. Gelet op de hierboven genoemde contra-indicatie zal de rechtbank wat de bijzondere voorwaarde betreft volstaan met de maatregel Hulp en Steun uit te voeren door de William Schrikker Jeugdreclassering. Alsdan kan naar het oordeel van de rechtbank optimaal rekening worden gehouden met de beperkingen van verdachte en kan hij op juiste wijze aangestuurd worden. Anders dan de Raad voor de Kinderbescherming ziet de rechtbank geen aanleiding om de dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarde te bevelen, nu dit ingevolge artikel 77za wetboek van strafrecht alleen mogelijk is indien gevreesd moet worden voor herhaling van een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van personen en daarvan is hier geen sprake.
De vordering van de benadeelde partij.
Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:
[slachtoffer 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 299,00. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit immateriële schade. De grond voor een vordering tot vergoeding van de immateriële schade is, blijkens de inhoud van het voegingsformulier gelegen in de omstandigheid dat de benadeelde partij zijn woning met een alarmsysteem beter wenst te beveiligen tegen inbraak.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] afwijzen, aangezien de gestelde immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband houdt met het onder 6 bewezenverklaarde feit.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.