Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Procesverloop
Zaaknummer 11/2664
Overwegingen
.Eiser is inmiddels met functioneel leeftijdsontslag.
Eiser heeft verklaard dat hem weliswaar formeel uitsluitend de functie van Projectleider DMO/ZEE (GIDEON) was toegewezen, maar dat hij werd ingezet naar behoefte. Volgens zijn eigen beschrijving functioneerde hij feitelijk op andere functies. Eiser stelt in dit verband dat hij sinds 1 juli 2010 fungeerde in de rol van architect bedrijfsvoering en verandermanager (business redesign and changemanager), zijnde een werktitel voor een samenstel van opgedragen werkzaamheden, en tevens als plaatsvervangend ketenprojectleider SAP implementatie binnen de zeeketen, bij de Transitie Management Organisatie van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). Eiser heeft gesteld dat dit zijn feitelijk opgedragen werkzaamheden waren, maar dat deze feitelijk opgedragen werkzaamheden nooit een formele functie zijn geworden; zij zijn nooit beschreven en als functie vastgesteld. Eiser stelt daarnaast dat hij sinds 1 januari 2005 in verschillende functies werkzaam is geweest in de directie van het marinebedrijf. Daarnaast heeft hij in diverse rollen de belangen van het project SPEER behartigd. Hij heeft gefungeerd als Directeur van het Marinebedrijf (MABE) en als Transitiemanager DMO en heeft de leiding van het project SPEER gehad. Verweerder heeft wat eiser heeft verklaard niet betwist.
Eiser heeft voorts de argumenten neergelegd in het advies van HDP, dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt, weersproken. Eiser meent dat ook voor zijn functie de beleidsfactor had moeten worden toegepast.
.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat uit de Nota’s van de directeur DMO en de Algemeen directeur MABE niet blijkt dat deze van mening zijn dat de beschrijving van de functie projectleider DMO/ZEE (GIDEON) onjuist of onvolledig is, noch dat die functie als zodanig een rang op KTZ-niveau zou rechtvaardigen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser aan de gedane beloften niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat deze namens het wel bevoegde gezag zijn gedaan. De rechtbank acht daartoe van belang dat uit de stukken niet blijkt dat door het wel bevoegde gezag op enig moment de indruk is gewekt dat de niet bevoegde door eiser genoemde vlag- en opperofficieren bevoegd zouden zijn namens het bevoegde gezag te spreken. Voorts geldt dat uit de hierboven genoemde Nota’s van de Directeur DMO en de Algemeen directeur MABE weliswaar blijkt dat dezen van mening zijn dat de rang van de functie met toepassing van de beleidsruimte vastgesteld moet worden op KTZ en dat eiser bevorderd moet worden tot die rang. Uit die Nota’s blijkt echter óók, dat beiden hiertoe niet bevoegd zijn. Daarom is juist de Nota aan HDP gestuurd. In de Nota van 23 mei van Directeur DMO is expliciet neergelegd dat deze niet bevoegd is tot toepassing beleidsruimte. Uit deze Nota’s had eiser duidelijk moeten of in ieder geval kunnen zijn dat de directeur DMO en de Algemeen directeur MABE ter zake van bevordering geen bevoegdheden hadden.