Eiser werd op 12 juni 2012 op staande voet ontslagen na een handgemeen met zijn werkgever. UWV weigerde een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid op grond van een dringende reden. De rechtbank oordeelt dat UWV onvoldoende feiten en omstandigheden heeft onderzocht om de dringende reden objectief vast te stellen. De verklaringen van eiser en werkgever staan lijnrecht tegenover elkaar, en het dossier biedt geen duidelijkheid over de aanleiding en aard van het incident.
De rechtbank verwijst naar eerdere bevindingen van de kantonrechter die ook geen voldoende aannemelijkheid kon vaststellen. UWV heeft onvoldoende onderzoek gedaan en de motivering voor het toekennen van doorslaggevende waarde aan de verklaring van de werkgever ontbreekt. Bovendien is het feit dat eiser pas later aangifte kon doen niet adequaat meegewogen.
De rechtbank beveelt een nader onderzoek door UWV, inclusief getuigenverhoor en een zorgvuldige afweging van persoonlijke omstandigheden van eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.