ECLI:NL:RBDHA:2013:8878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2013
Publicatiedatum
22 juli 2013
Zaaknummer
09/757199-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling witwassen en helen

De rechtbank Den Haag behandelde op 22 juli 2013 een vordering van de officier van justitie ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde. De veroordeelde was eerder onherroepelijk veroordeeld voor witwassen en helen van een geldbedrag van €15.990.

Na schriftelijke uitwisseling wijzigde de officier van justitie de vordering tot een bedrag van €15.990, dat de veroordeelde aan de Staat moet betalen. De veroordeelde was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank baseerde haar oordeel op de bewezenverklaarde feiten uit de strafzaak en de wettige bewijsmiddelen in het dossier.

De rechtbank verwierp het verweer dat het geld niet van misdrijf afkomstig zou zijn, aangezien dit in de strafzaak reeds is beslist. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.990 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het voordeel.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht en werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €15.990 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer 09/757199-11
Datum uitspraak: 22 juli 2013
Tegenspraak

Vonnis ex artikel 36e SR

Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
[adres].

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 40.990,00.

Het onderzoek ter zitting.

Na een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft de officier van justitie, mr. F.A. Kuipers, de vordering gewijzigd in die zin dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 15.990,00 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.
De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting van 8 juli 2013 verschenen. Wel is verschenen de raadsman van de veroordeelde, mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te vertegenwoordigen.

Beoordeling van de vordering.

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 8 juli 2011, voor zover van belang, veroordeeld ter zake van het witwassen en helen van een geldbedrag van
€ 15.990,00. In het vonnis is geen beslissing genomen ten aanzien van dit - onder veroordeelde in beslag genomen - geldbedrag.
In deze zaak heeft de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in het dossier van de strafzaak tegen de veroordeelde. De conclusie van de officier van justitie is dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 15.990,00 bedraagt.
Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van de hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist met de bewijsmiddelen, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan deze beslissing zal worden gehecht.

Motivering van de op te leggen maatregel.

De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking de in de strafzaak onder parketnummer 09/757199-11 tegen de veroordeelde bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat het onder veroordeelde aangetroffen geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is, overweegt de rechtbank dat die vraag niet thuishoort in deze ontnemingsprocedure. Hierover is in de strafzaak zelf reeds door de rechtbank beslist.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 15.990,00.
De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 15.990,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 15.990,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 15.990,00aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mrs. H. Steenhuis, voorzitter,
J.E. Bierling en S.L.M. Staals, rechters,
in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2013.