Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. H.J.J. Talsma en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.P.J. van der Meij, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het medeplegen van het wegmaken van het stoffelijk overschot van het slachtoffer in februari 2012. Verdachte was aanwezig toen het lijk werd gezien en reed mee naar de locatie waar het lijk werd gedumpt.
De officier van justitie stelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had en een actieve rol speelde door aanwezig te zijn, orders op te volgen en mogelijk op de uitkijk te staan. De verdediging voerde aan dat verdachte geen actieve handelingen verrichtte en slechts vermoedde wat er in de koffer zat, waardoor medeplegen niet bewezen kon worden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte weliswaar voorwaardelijk opzet had, omdat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het lijk werd weggemaakt, maar dat er geen bewijs was voor een nauwe en bewuste samenwerking of actieve betrokkenheid. Verdachte had geen handelingen verricht die als hulp bij het delict konden worden gezien. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Daarnaast werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken. De kosten van de verdediging werden begroot op nihil. Het vonnis werd uitgesproken op 25 juli 2013 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens ontbreken van actieve handelingen en nauwe samenwerking bij het wegmaken van het lijk.