ECLI:NL:RBDHA:2013:9535
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid eiser in vordering tot opheffing executoriaal beslag op motorfiets
Eiser vorderde opheffing van het executoriaal beslag op een motorfiets die op naam stond van een derde, [A], en die in beslag was genomen in het kader van een ontnemingsmaatregel. Eiser stelde eigenaar te zijn van de motorfiets en dat deze slechts tijdelijk bij de feitelijke verblijfplaats van [A] was gestald. De Staat voerde verweer dat eiser niet-ontvankelijk was omdat hij niet had voldaan aan artikel 438 lid 5 Rv Pro, dat vereist dat verzet tegen executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat dit een dwingend rechtelijk voorschrift betreft, bedoeld ter bescherming van de belangen van de geëxecuteerde. Omdat eiser alleen de Staat als executant had gedagvaard en niet [A] als geëxecuteerde, kon niet worden volstaan met het achterwege laten van niet-ontvankelijkheid. De positie van [A] was niet duidelijk genoeg om hiervan af te wijken. Daarom werd eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van procedurele vereisten bij executiegeschillen en benadrukt dat derden die verzet willen aantekenen tegen executoriaal beslag zowel de executant als de geëxecuteerde moeten dagvaarden.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot opheffing van het executoriaal beslag op de motorfiets.