ECLI:NL:RBDHA:2013:BY7498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens niet-verlenen van extra beveiligd vervoer aan gedetineerde
De gedetineerde [eiser] vorderde schadevergoeding van de Staat omdat hem ondanks een medische indicatie geen extra beveiligd vervoer (EBV) werd aangeboden voor zittingen en ziekenhuisbezoek. De rechtbank stelde vast dat het besluit tot EBV-vervoer op 13 april 2010 was genomen, maar dat binnen de penitentiaire inrichting dit besluit niet correct was doorgegeven aan de vervoersdienst, waardoor [eiser] regelmatig regulier vervoer kreeg aangeboden.
Hierdoor kon [eiser] vijf zittingen niet bijwonen en werd zijn medische behandeling van een liesbreuk met bijna vijf maanden vertraagd. De Staat erkende het onrechtmatig handelen, maar stelde dat reeds een tegemoetkoming door de Commissie van Toezicht was toegekend en dat de advocaat van [eiser] meer had kunnen doen.
De rechtbank verwierp deze verweren. Het niet kunnen bijwonen van zittingen is een schending van het fundamentele recht op aanwezigheid in strafzaken (art. 6 EVRM Pro). Ook de vertraging van de medische behandeling werd als aantasting van de persoon beoordeeld. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe van € 275,= plus wettelijke rente en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 275,= schadevergoeding aan de gedetineerde wegens het niet tijdig aanbieden van extra beveiligd vervoer.