ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8125
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- R.J. Paris
- Rechtspraak.nl
Verplichting man tot medewerking levering voormalige echtelijke woning en inzage financiële gegevens
Partijen, met zowel de Nederlandse als Iraanse nationaliteit, zijn in 2007 in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De echtscheiding is in Nederland uitgesproken en ingeschreven, maar niet erkend in Iran. De rechtbank heeft eerder de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, waarbij de vrouw de woningen toebedeeld kreeg onder de verplichting de hypothecaire schulden te dragen.
De vrouw vordert onder meer dat de man meewerkt aan de levering van zijn deel van de voormalige echtelijke woning, inzage geeft in bankrekeningen en gegevens verstrekt over een schadeverzekering. De man betwist deze vorderingen en vordert zelf voortzetting van bewoning van de woning.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de primaire vordering tot uitsluitend gebruik van de woning, maar wijst de subsidiaire vordering tot levering toe. De man wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot het verstrekken van financiële informatie, uitvoerbaar bij lijfsdwang tot veertien dagen. De vordering tot medewerking aan levering van andere woningen wordt afgewezen vanwege de weigering van hypotheekbanken om de man te ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid. De vordering tot lijfsdwang voor medewerking aan ontbinding van het Iraanse huwelijk wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot medewerking aan levering en inzage financiële gegevens, overige vorderingen worden afgewezen.