ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8769
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding van kinderen naar België wegens ongeoorloofde achterhouding in Nederland
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot teruggeleiding van twee minderjarige kinderen naar België, waar zij hun gewone verblijfplaats hebben. De moeder hield de kinderen zonder toestemming van de vader in Nederland achter. De rechtbank oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in België ligt, mede gelet op de gezamenlijke woning, inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie, schoolgang en medische zorg.
De moeder voerde aan dat zij het gezag alleen uitoefent en dat de kinderen in Nederland horen te verblijven, maar dit werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat het gezag gezamenlijk is volgens Belgisch recht en dat de achterhouding in Nederland ongeoorloofd is. De moeder beriep zich op artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Haagse Verdrag, stellende dat terugkeer gevaarlijk zou zijn vanwege onberekenbaar gedrag van de vader en de jonge leeftijd van de kinderen.
De rechtbank vond de door de moeder aangevoerde incidenten onvoldoende bewezen en oordeelde dat terugkeer geen ondragelijke toestand voor de kinderen oplevert. Ook het belang van de kinderen bij behoud van familiebanden en veilige ontwikkeling werd meegewogen. De rechtbank gelastte de terugkeer uiterlijk 21 februari 2013 en veroordeelde de moeder tot vergoeding van de kosten die de vader heeft gemaakt in verband met de ontvoering en teruggeleiding.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar België en veroordeelt de moeder tot betaling van de gemaakte kosten.