ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9390
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg voorkeursrecht van koop bij schenking onder opschortende voorwaarde
In deze civiele zaak stond de uitleg van een voorkeursrecht van koop centraal, zoals vastgelegd in een leveringsakte uit 1987. De eiser stelde dat de gedaagde dit recht had geschonden door een perceel grond onder opschortende voorwaarde te schenken aan zijn dochters zonder het eerst aan hem aan te bieden.
De rechtbank onderzocht de inhoud van het voorkeursrecht en de betekenis van de opschortende voorwaarde. Daarbij werd de Haviltex-maatstaf toegepast, waarbij niet alleen de taalkundige betekenis, maar ook de redelijke verwachtingen van partijen en de omstandigheden van het geval werden betrokken. De rechtbank concludeerde dat het voorkeursrecht een persoonlijke verbintenis betrof die niet overgaat op rechtsopvolgers en dat de schenking onder opschortende voorwaarde het voorkeursrecht niet schond.
De rechtbank oordeelde dat de juridische en feitelijke situatie onveranderd bleef totdat het voorkeursrecht was uitgewerkt, en dat de boete niet verschuldigd was. De vorderingen van de eiser werden afgewezen, terwijl de beslagen die de eiser had gelegd op verzoek van de gedaagde moesten worden opgeheven. Beide partijen werden in hun proceskosten veroordeeld overeenkomstig het resultaat.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de kosten; de beslaglegging wordt opgeheven.