ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9889
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek teruggeleiding minderjarige in internationale kinderontvoeringszaak
De moeder verzocht de rechtbank om de teruggeleiding van haar minderjarige kind naar Pakistan en/of Afghanistan, stellende dat de overbrenging door de vader in strijd was met haar gezagsrecht. Partijen oefenden gezamenlijk ouderlijk gezag uit. De vader had de minderjarige in 2010 naar Nederland gebracht, waar het kind sindsdien verbleef.
De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van het Haags Verdrag inzake internationale kinderontvoering en de Nederlandse Uitvoeringswet. De vader overlegde een gelegaliseerd 'adoption certificate' dat door de moeder was ondertekend, wat volgens de rechtbank als instemming met de overbrenging moest worden beschouwd. De moeder stelde dat zij onder dwang had getekend en de Engelse taal onvoldoende machtig was, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd en niet ondersteund door bewijs.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een overbrenging in strijd met het gezagsrecht van de moeder en dus ook niet van internationale kinderontvoering. Het verzoek tot teruggeleiding werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd en partijen droegen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige naar Pakistan wordt afgewezen.