ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1608
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid van schorsing en verwijdering van leerling wegens bangalijst en seksuele intimidatie
De zaak betreft een kort geding waarin de moeder van een minderjarige leerling ([A]) betwist dat de school hem terecht heeft geschorst en verwijderd vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij het opstellen van een bangalijst en seksueel intimiderend gedrag.
De school heeft op 28 november 2012 melding gekregen van onrust onder leerlingen over een bangalijst die door [A] zou zijn gemaakt. Na onderzoek, gesprekken met betrokken leerlingen en het opstellen van een gespreksverslag, heeft de school [A] geschorst en een verwijderingsprocedure gestart. Eerder was [A] al geschorst wegens bezit van vuurwerk op school. De school stelt dat het gedrag van [A] de veiligheid van medeleerlingen in gevaar bracht.
De moeder betoogt dat [A] niet betrokken was bij de bangalijst, dat het gedrag niet strafbaar is, en dat de schorsing onrechtmatig is vanwege overschrijding van de maximale termijn. De rechtbank stelt dat de school ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het sanctioneren van ongewenst gedrag en dat slechts een marginale toetsing plaatsvindt. Gezien de ernst en herhaling van de incidenten acht de rechtbank het besluit tot schorsing en verwijdering redelijk.
De vordering van de moeder wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en op 20 februari 2013 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de school in redelijkheid tot schorsing en verwijdering van de leerling kon besluiten en wijst de vordering af.