ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1914
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident inzake vaststellingsovereenkomst met buitenlandse partijen
In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een hoofdsom en contractuele rente op basis van een vaststellingsovereenkomst met gedaagde. Gedaagde betwist het bestaan van deze overeenkomst en voert een onbevoegdheidsexceptie aan omdat hij in Frankrijk woont en geen geldige woonplaatskeuze in Nederland heeft gemaakt.
De rechtbank beoordeelt dat op grond van artikel 2 lid 1 EEX Pro-Verordening de hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Omdat gedaagde niet in Nederland woont en geen geldige woonplaatskeuze heeft gemaakt, is de Nederlandse rechter op grond van deze hoofdregel niet bevoegd.
Echter, de rechtbank volgt het arrest Effer/Kantner en gaat uit van de stelling van eiser dat er een vaststellingsovereenkomst is. Op basis van artikel 5 lid 1 sub a EEX Pro-Verordening is de rechter bevoegd op de plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd. Omdat in de overeenkomst is bepaald dat betaling via een Nederlandse bankrekening moet plaatsvinden, komt de Nederlandse rechter voorlopig rechtsmacht toe.
De rechtbank bepaalt een comparitie van partijen om nadere feitelijke en juridische inlichtingen te verkrijgen, mogelijkheden tot schikking te onderzoeken en het verdere verloop van de procedure te bepalen. De rechtbank wijst op de procedurele regels omtrent comparitie en uitstelverzoeken.
Ten slotte wordt de persoonlijke verschijning van partijen en hun advocaten bevolen op 27 februari 2013. De beslissing omtrent de bevoegdheid wordt aangehouden tot na deze comparitie.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich voorlopig bevoegd op grond van artikel 5 lid 1 sub a EEX-Verordening en beveelt een comparitie van partijen.