ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2022
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dwangbevel belastinginvordering afgewezen wegens kansloosheid en rechtmatigheid invordering
De zaak betreft een verzet van eiser tegen een dwangbevel van de Belastingdienst inzake een naheffingsaanslag loonbelasting en premies volksverzekeringen over 2002 en 2003 ter hoogte van €535.870,-. Eiser stelde dat sprake was van schending van het recht op hoor en wederhoor en dat de naheffingsaanslag al (deels) was voldaan, alsmede dat de Belastingdienst onzorgvuldig en willekeurig had gehandeld door geen uitstel van betaling te verlenen.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van eiser onvoldoende waren onderbouwd. De naheffingsaanslag was in een met waarborgen omgeven fiscale procedure aan de belastingrechter voorgelegd en kon niet materieel worden betwist door de civiele rechter. Het verzoek om uitstel van betaling kon worden geweigerd omdat eiser geen zekerheid had gesteld, hetgeen binnen het beleid van de Leidraad Invordering 2008 viel. Ook werd geoordeeld dat het verzet kansloos was, omdat eiser geen concrete benadeling door het vermeende gebrek in hoor en wederhoor had aangetoond en onvoldoende bewijs leverde dat de aanslag al was voldaan.
Gelet op het grote belang van de Belastingdienst om haar rechten te verzekeren en de omvang van de belastingschuld, werd het verzet ongegrond verklaard en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank handhaafde daarmee de uitvoering van het dwangbevel en het beleid van de Belastingdienst in deze invorderingsprocedure.
De uitspraak benadrukt de beperkte rol van de civiele rechter bij fiscale geschillen die reeds aan de belastingrechter zijn voorgelegd en bevestigt de bevoegdheid van de Belastingdienst om zekerheid te verlangen bij uitstel van betaling in hoger beroep.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.