ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2040
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens terugkeer naar Libië zonder vrees voor vervolging
Eiser, met de Libische nationaliteit, kreeg in 2008 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. In 2012 constateerde de staatssecretaris dat eiser meerdere keren naar Libië was teruggekeerd, wat leidde tot een voornemen tot intrekking van de vergunning. Eiser stelde dat hij slechts kortdurend en om familiale redenen terugkeerde en dat hij vanwege zijn homoseksualiteit niet veilig zou zijn in Libië.
Tijdens de zitting werden in- en uitreisstempels besproken waaruit bleek dat eiser tweemaal langere periodes in Libië verbleef. De rechtbank oordeelde dat dit geen kortstondige verblijven waren en dat dit het vermoeden wekte dat eiser geen vrees voor vervolging had. Het beroep op bescherming vanwege zijn homoseksualiteit faalde omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdens zijn verblijf problemen had ondervonden.
De rechtbank concludeerde dat de grond voor intrekking van de verblijfsvergunning terecht was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.