ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2056
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht
In deze civiele procedure heeft Stichting Bedrijfspensioenfonds [X.] en Stichting Sociaal Fonds [Y.] een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen de vennootschap onder firma [A.] V.O.F. en haar vennoten. De vorderingen betreffen onbetaalde nota's en andere openstaande bedragen die zich over meerdere jaren uitstrekken. Verweerders hebben erkend dat zij betalingen van in totaal duizenden euro's hebben verricht en verklaren een gezond bedrijf te voeren. Zij hebben hun betalingen echter opgeschort totdat verzoeksters duidelijkheid verschaffen over de teruggave van een bedrag uit 2011 en de openstaande nota's van 2012.
Tijdens de zittingen is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de toerekening van betalingen aan openstaande posten. Verweerders hebben meerdere malen om duidelijkheid gevraagd, maar verzoeksters hebben hier niet adequaat op gereageerd. De rechtbank overweegt dat de faillissementsprocedure niet bedoeld is om geschillen over administratieve onduidelijkheden voort te laten duren en dat het verzoek tot faillietverklaring niet kan worden gebruikt om gezonde ondernemingen tot betaling te dwingen.
De rechtbank stelt vast dat niet summierlijk is gebleken dat verweerders zijn opgehouden te betalen, een vereiste voor faillietverklaring op grond van artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro. Er is geen bewijs overgelegd van steunvorderingen van derden die de faillissementstoestand onafhankelijk zouden aantonen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.
De uitspraak is gedaan op 12 februari 2013 door rechter G.H.M. Smelt, waarbij partijen zijn gehoord en de procedure openbaar is behandeld.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat verweerders zijn opgehouden te betalen.